8 november
'O, als ik dood zal, dood zal zijn
kom dan en fluister, fluister iets liefs,
mijn bleke ogen zal ik opslaan
en ik zal niet verwonderd zijn.
En ik zal niet verwonderd zijn;
in deze liefde zal de dood
alleen een slapen, slapen gerust
een wachten op u, een wachten zijn.'
J.H. Leopold
Verzameld werk, Brusse, Rotterdam / Van Oorschot, Amsterdam 1951-1952
-
-
7 november
November
Het is de oostenwind niet, en niet de regen
En niet die hagelbui ook al zit je daar tussen in
Het is niet het bladerafval in de stegen
Het korten van de dagen net zo min
Het is het kalen van de bomen niet –
daar kan je tegen
Ook de koude laat je koud in zekere zin
Je leert je voeten een keer extra vegen
En je verliezen te bezien als licht gewin
Maar het is het besef na al die jaren
Dat nog die blinde gloed niet is getemd
Van het hart dat wild niet te bedaren
Steeds luider klopt in zijn steeds ruimer hemd
Zo raak je elke herfst somber gestemder
Dat maakt november ieder najaar meer november
Huub van der Lubbe
Gevonden op: https://www.dedijk.nl/
-
6 november
hier komt de poëzie
als je haar begint te schateren, als je blauwhuis zacht voelt naderen
als je plots dit vers verstaat, naar buiten gaat, waar alles slaapt
behalve de tuinman, die je bloemen vrolijk platspuit met zijn slang
als je paukenhart zich stilhoudt, als je lichaam langzaam afgaat
als de hele wereld dwerrelt – dan begint de poëzie.
als de zon opkomt als een insect en niets dan duizendpoten uitstrekt
als je schreeuwt uit zeven kelen, rondwandelt in brood
als je mensentaal moet bakken van de dood, pap vreet van oude peppels
als de oerknal tegenvalt, en ook je almacht doet het niet
als je pantserschild ineenstuikt – dan begint de poëzie.
dan vind je wrakhout, troost noch tweede kans
dan helpt er niets – hier zijn geen kolibrietjes uit te delen
niemand zal je leren drijven en er is geen lief dat blijft
er is alleen maar poëzie: om te loeien dat het pijn doet
deze heimwee stuk te knijpen, leeg te lopen zonder bloed.–
ik ken een struik van poëzie, een veilig brandend braambos
om in weg te schuilen en ons allebei steeds verder
om de tuin te leiden. kom, ik zal je goed verwijderen.
wij horen hier niet, maar ik heb wanhoop en papier.
waar niemand ooit nog thuiskomt, daar begint de poëzie.
Ramsey Nasr
Uit: Nasr Compacter, De Bezige Bij, 2021
-
5 november
Mango's
Quickstep, slowstep, de stad licht op in klinkende muntjes,
doet haar lampen aan. Zestien fruitkistjes
heeft men buiten staan,
groentejongens rennen af en aan
met mango's;
lichtgeprijsde, Argentijnse mango's
van het kwikstaartjesmerk
dat de mond doet tuiten, fluiten
van een cent. Blozende,
van ver vervoerde, feel-good
mango's;
in mango's steekt
een happy end.
Paul Janssen
Uit: Instructies voor een ober
Uitgeverij Holland, Amsterdam 2004.
-
4 november
Belasting
Rondom het huis de vleugelslag van gieren,
er zit er zelfs een grijnzend op het hek
te kijken hoe ik in dit stil vertrek
belaagd wordt door belastingformulieren
Van alles kan een mens worden verlost,
relatieleed en aanverwante kwalen,
maar valt men in de handen der fiscalen
dan rest alleen een kleine aftrekpost
Ik steek mijn hoofd behoedzaam door de strop,
ik heb het zelf verdiend, ik geef het op
Ton Peters
In: De Tweede Ronde, G.A. van Oorschot, Amsterdam 2004
-
3 november
De olifant
Hij stapt behoedzaam en ziet grijs van zorgen
dat hij geen muis of mier of mens vertrapt.
De rafelige oren vaal gelapt,
een slurf hangt uit, het slimme oog verborgen.
Als zak van Sinterklaas zou hij voldoen,
met in het rommelige vel cadeaus
zoals entreekaartjes voor circusshows,
veel pinda’s, boekensteunen, een klaroen.
Ik weet waarom ik hem zo mild benader.
Hij draagt me naar mijn jeugd terug toen vader
bij ’t olifantenperk dit vers begon:
Nu zal ik u iets wondermoois verhalen:
Heer olifant gaat aan het koffiemalen.
Hij deed het nooit, maar ‘k wist dat hij het kon.
Patty Scholten
Uit: Het dagjesdier
Atlas-Contact, Amsterdam 1995
-
2 november
Tuinpad
De paden op! Welja, dat ene pad
dat heel de tuin bestrijkt: het rondje
binnendoor. Diagonale bielzen
hogen hier en daar wat op. En dat is dat.
Wat heb je met me voor dat wij hier gaan?
Een achtertuin van zes bij acht, een spoor
van slakken, minder dan een blokje om.
Jij zegt: ‘Dit is het binnenpad.’ Volstaat
het schijnbaar vierkant van een streepje grond
of zoek je van de cirkel het kwadraat?
Eens ging de ondergang met paard en kar
de wereld rond; dat hebben we gehad.
Nu blijf ik vlak bij huis, en noem je schat.
Dit is het. Naar bielzen draait het pad
licht omhoog. Daar blijft de zon wat langer
voor hij ondergaat. Ik heb je lief, zo lief.
In ’t groen draagt dit de waarde van een daad.
Ad Zuiderent
Uit: Natuurlijk evenwicht
De Arbeiderspers, Amsterdam 1984
-
1 november
Als november is gekomen
En de regentijd breekt aan,
Als de bomen in de laan,
- Ach, de bladerloze bomen! -
Om de glorie, hun ontnomen,
In de mist te schreien staan,
Als november is gekomen,
En de takken traan op traan
Op de vochte grond doen stromen,
Waar de bladerkens vergaan
Na hun goude' oktoberdromen
En hun korte vrijheidswaan -
Als november is gekomen ...
Jacqueline van der Waals
Uit: Laatste verzen,
De Waelburgh, Blaricum 1923
-
31 oktober
Het gele licht van Jan van Goyen
Het gele licht van Jan van Goyen
straalt laag over de duinen,
van de opstanding der doden
tot de aanvaring der tijden.
De bast van kale zilverberken
glinstert als met goud beslagen
en de namen op de zerken
wordt weer adem ingeblazen.
Van een ruit spat fel de zon
die in de wolken zakt.
Een gasvlam bij de Hoogovens
slaat over in het dikke hart.
Dan, uit het dolhuis van de nacht,
kwakt Malevitch zijn Zwart Vlak.
Pieter Boskma
Uit: Het zingende doek & de geheime gedichten
Prometheus, Amsterdam 1999
-
30 oktober
Zondagskind
Anderen knippen met hun vingers, zie:
Er valt vanzelf een wonder uit hun hand.
Ik zwoeg gestaag, verbrand mijn energie,
Maar wat ik opdelf is wat grint en zand.
Anderen eten graag, ik kauw met pijn.
Fazant! en ik verslik me in een luis.
De hele kosmos smaakt ze zoet, op mijn
Verhemelte proef ik slechts as en gruis.
Anderen hebben ritme, ik loop mank.
Ze ademen, mijn hals hangt in een strop.
Ze geuren, ik verspreid een helse stank.
Toch kan ik mijn geluk bijna niet op.
Gerrit Komrij
Uit: De os op de klokkentoren
De Arbeiderspers, Amsterdam 1982