7 juli
De geschiedenis van in de trein (III)
‘Dat is hem, toen hij nog goed was,’
zong het moedertje, nu met klem, en zo
bovenaardse tonen ontvoegden zich aan haar
versleten stem, dat coupé, omvang en ruimte en
zelfs nog de acoustiek, vorm van cathedraal
aannamen, terwijl ze verder preludeerde: ‘Ge-
lukkig dat ik zelve niet ziek ben, zodat ik op
heden er nog heen kan gaan, maar, ziet u, ik
heb mijn Geloof. Vandaar dat ik op mijn oude dag
voor mijn jonkje, ongestraft, frambozen roof.
En met Gods hulpe niet bemerkt werd. Hij liet
het regenen als een vergiet, zodat ik onopgemerkt
me gang kon gaan, notaris die zag me niet.’
Er viel een stilte, maar vorm van melodieën
verwarden en gelijk stilden mijn hoofd.
In die trein, en maar rijen, rijen rijen, om-
dat men nog in aankomst gelooft.
Echter nee, zo is het niet, hebik gelezen, in
menig geleerde boek. We gaan voort maar wat ons
te wachten staat, is zo zeker als waar niets te
zien meer valt, dan kijken om een dooie hoek.
<morgen verder>
Geef een reactie