21 juli
Bij de prelude opus 32 nr. 13 Sergei Rachmaninov
Een olifant ontwaakt in zijn hiernamaals van ivoren toetsen –
slagtanden getemd maar welk ondier wil ooit leren
musiceren? En ook van nature fijnzinnig trillende rimboebomen–
zijn, omgehakt, als lijk, met hoogglans gelakt, diep in hun pit
tegen elke dressuur gekant. Ik ben gewaarschuwd:
op het balkon, achter ’t glas, staart de stekelpalm me aan–
zij vreest een volgend leven als preludepartituur.–
Hoe dan haar trots vlijmende, alle uitlaatgassen tartende blad,–
gepletwalst tot sneeuwig platitudepapier, doorkruist door lijnen–
van gespannen prikkeldraad vol zwarte torrendrek en dode–
vliegen vastgekleefd aan Sergei’s suikerplak, verdwarrelen moet–
boven de straten van een immense, harteloze stad.
Ver weg kerkklokken in de toendra, naaldbomen vallen.
Of sneeuwberken? Wij nemen een ijsje met slagroom–
en koffielikeur. Zelf denk ik geregeld aan planken vloeren
zwaar genoeg om meerdere kolossen overheen te laten klossen.
Of een schuimbad, op laag water. Grafkist voor muziek?–
En dan, veel brokken in de keel, slurfsgewijs de rode serre uit.
Anneke Brassinga
Uit: Verborgen tuinen, De Bezige Bij, Amsterdam 2019
Geef een reactie