29 september
Mijn hart neemt velerlei gestalten aan:
een kloostercel den monnik toebedeeld,
een marmertempel met een afgodsbeeld,
steppen en weiland, waar gazellen gaan,
een schaakspelbord, zwarbont en recht en schuin
doorsneden en de statige figuren
zijn schuivende en kruisen op dit plein,
een boezemdoek, dicht bij de harteklop
houdt zij de luwten en de schatten op,
het kroesje van den bedelaar, de steen
van de Kaa'ba en gebed er heen,
en met ontzag en hoogheid aangedaan
de Torahtafelen en de Koraan.
Al dit en meer; want liefde is mijn geloof;
waar ook de kemels van haar uittocht keeren,
o rustpunt in dit wuft vagabondeeren:
mijn is het ware en eenige geloof.
J.H. Leopold
Uit: J.H. Leopold, O rijkdom van het onvoltooide, Bert Bakker, Amsterdam 1977
-
-
28 september
Nichtje
Nichtje, wild honingnichtje, hoe we steels
langs tafelpoten slopen, pumps en laarzen
belaagden, steeds naar veters grepen, stout
stout nichtje, blond je vlechten en van snoep
je mond, dat dorp, die zomer en dat meer
waar ik het raadsel van je mond uitvond,
nu strik je zelf je veters, stapte duizend
treinen in, nam vluchten naar Milaan
en hield in Praag en Kaapstad taxi's aan.
Iets riep ons weg. Iets drijft ons heen en weer.
O dat mij ooit een wijnhuis wordt beloofd
waar jij mijn heimwee met verhalen troost,
vier veters eeuwig aan elkaar geknoopt.
Menno Wigman
In: Hollands Maandblad, L.J. Veen, Amsterdam 2004
-
27 september
Riviergras
III
Ik strek me als een kraan, haal zuurstof
uit de holte van een droom.
Een vrouw vraagt: welke stroom?
Ik antwoord: hij die naar de zee rent.
Ik zeg: hij die naar de zee stroomt.
Ik zing: hij die in de zee oplost.
We duiken samen in een zwerm van krill.
Duizend sterren lichten op als zilverlingen in de nacht,
als schiepen zij de zee.
Christophe Batens
Uit: Hoe doorwaadbaar dagen zijn
Poëziecentrum, Gent 2024
-
26 september
Riviergras
II
Vannacht is mijn hoofd een woud
waarin vogels verloren vliegen.
Mijn ribben heb ik tot kooi vervlochten.
Mijn longen krimpen.
Ik sprokkel hout, gooi het in de kuil
van je natte strottenhoofd.
Je drinkt het sap, schraapt onwennig.
Ik sluit je in, laat je los.
Je keert je huid binnenstebuiten en dept plassen
met de lach van de brandende zon.
Christophe Batens
-
25 september
Riviergras
I
In bergrivieren en kamerplanten
kom ik je vertakkingen tegen.
Ze woekeren om het hoogst.
Willen we ze in water dompelen,
nagaan of ze levensvatbaar zijn?
Willen we ze opvissen, tegen het licht aanhouden,
spiegels van hun hardheid ontdoen?
Het is een strategie. Er zijn er zoveel.
Tijdens het avondnieuws waan je je kreupel
tot ik je vertel hoe doorwaadbaar dagen zijn.
Christophe Batens
-
24 september
WATERVAL 1961 M.C. Escher
Water stroomt hier niet en wel.
Gerimpeld klimt het opwaarts,
versplinterd stort het neer terwijl
de loop de zwaartekracht vernachelt,
het rad de roerloosheid verdraait.
Spiegelen en glanzen doet het
niet. Geen golf verdwijnt, geen
drup verdampt. Ondanks verval
verglijdt geen fractie tijd. Intussen
blijft het klotsen, kabbelen en ruisen
in je verbeelding. En net zo echt
is dat geklater als het water diep -
Inge Boulonois
Gevonden op www.gedichten.nl
-
23 september
Herfstdag
Heer: het is tijd. De zomer was zeer groots.
Leg op de zonnewijzers thans uw schaduw,
en stel de velden aan de winden bloot.
Beveel de laatste vruchten rijp te zijn;
verleen hun nog twee zuidelijker dagen,
stuw hen naar de voleinding, Heer, en jaag
de laatste zoetheid in de zware wijn.
Wie nu geen huis heeft, bouwt het ook niet meer.
Wie nu alleen is, zal het nog lang blijven,
zal waken, lezen, lange brieven schrijven,
in lanen rusteloos dwalen, telkens weer,
als op de wind de blaren zullen drijven.
Rainer Maria Rilke
Vertaling: Anton Korteweg
De Revisor, Querido, Amsterdam 1976
-
22 september
Reeën
ik vroeg of je nog van me hield
en je zweeg lange tijd
tot je ‘kijk’, zei, ‘beneden’
daar stonden in langzaam
en laaghangend licht
twee reeën een ogenblik stil,
toen vluchtten zij snel en gewichtloos
het struikgewas in
hier en daar werden bladeren geel
dat was wat je daarna zou zeggen
‘september, de herfst komt er aan’
Miriam Van Hee
Uit: De bramenpluk, De Bezige Bij, Amsterdam 2002
-
21 september
Droom
Ik liep vannacht – van een optocht los-
geraakt, ineens onder een hoog en luchtig
viaduct, jong, naast mij liep een grote
vrij zware jonge man. De pijlers werden bomen
en het beton werd losse grond.
En ogenblikkelijk stonden we stil, zijn mond
boog zich half open neer, ik richtte
mijn gezicht omhoog, de zekerheid
van kussen en omhelzen was er toen
ik wakker werd en is er nog altijd.
M. Vasalis
Uit: De oude kustlijn, A.A.M. Stols, Rijswijk 1940
-
20 september
Het zingende kind
Het zingende kind dat in ons woont
en dat we ons leven lang voor elkaar verbergen,
het zingende kind dat we ergens, diep van binnen
voor onszelf bewaren, schipper mag ik overvaren
ja of nee? Het lied van de overkant.
Waar de stralende morgen ons brengen zal.
Of komt de nacht ons halen? Moeten we veel geld
betalen? En hoe? Zullen we struikelen, zelfs vallen?
Het angstige kind dat in ons woont, vermomd
als schipper, moet ik overvaren? Wat gaat mee?
Het lied van de overkant, het zingende kind
het meisje, de moeder, de bejaarde? Schipper
moet mij overvaren. Neem mij mee, één twee
drie vier vouw voor mij, vouw voor mij
1 2 3 4 bootje van papier.
F. Starik
Uit: Songloed, Nieuw Amsterdam, Amsterdam 2007