De zon. De wereld is goud en geel
en alle zonnestralen komen heel
de stille lucht door als engelen.
Haar voetjes hangen te bengelen,
meisjesmondjes blazen gouden fluitjes,
gelipte mondjes lachen goudgeluidjes,
lachmuntjes kletterend op dit marmer,
ik zit en warm m'er.
Kijk ze nu loopen wendend om me heen,
't lijkt wel een herfst op den witten steen,
een herfst van dorre en geele kraakbladen,
engelen in wevegoudwaden,
zwevende guldvliezen,
neigende zonbiezen,
fluitende gouden zonnegeluiden,
ze leiden elkaar van uit het zuiden,
ze loopen over mijn marmersteen
in goudmuiltjes heen.
En 't lijkt of ze nu wel overal zijn,
de wereld is vol met een geelen goudwijn.
Herman Gorter
Uit: Verzen, Uitgeverij Ambo / Athenaeum - Polak & Van Gennep, Baarn / Amsterdam 1987
-
-
8 oktober
Ongerijmdheden (11)
dat komt gewoon doordat zijn vader eens.
gewoon omdat zijn vader in zijn jeugd.
doordat zijn vader in zijn jeugd gewoon.
gewoon al in zijn jeugd zijn vader toen.
omdat zijn vader ooit eens tegen hem.
ooit gewoon eens in zijn jeugd hem tegen.
dat komt gewoon doordat zijn vader ooit.
gewoon hem in zijn jeugd toen ooit al eens.
ooit eens tegen hem en nooit zijn moeder.
nooit zijn moeder in zijn jeugd zijn vader.
gewoon toen tegen hem zijn moeder ooit.
nooit eens in zijn jeugd gewoon ooit vader.
Harry Mulisch
In: De Gids, Meulenhoff, Amsterdam 1975
-
Jeugd
wat zei ik: daar ligt hij weer op zijn knieën
tussen de zuring en klavertjes drie in.
vingertjes wriemelend in het groen
terwijl god de hemel staat bij te boenen.
om half vier precies begint de inspectie.
de bijen houden alvast een collecte.
zijn vader is soms toch zo’n gekke dwalm,
waar de meisjes zijn overal.
en zijn moeder lost een vuurrood oud besje
met spuitwater op in een kogelflesje.
dat mag hij straks allemaal zelf opdrinken.
als dieren dood zijn, dan gaan ze stinken.
dan liggen ze helemaal grauw en stijf.
en de vliegen kruipen over hun lijf.
maar als je een klavertje vier weet te plukken
dan ga je nooit dood, blijf je altijd gelukkig.
dan hoor je het huis nog wel steunen en kraken.
maar je hart zal je nooit bonzend wakker maken.
dan lig je op heel dik fluweel van rozen.
dan krijg je soms zelfs een meccanodoos.
C. Buddingh’
Gevonden op: https://www.vanoorschot.nl/dbnl/gedichten-van-c-buddingh-7/
-
6 oktober
Beknopte topografie van de Rijnmond
Rotterdam
Schiedam
Vlaardingen
Maassluis
hoekie om
trappie af
gekkenhuis.
Jules Deelder
Uit: Moderne gedichten, De Bezige Bij, Amsterdam 1981
-
5 oktober
Ouderdom
Later, als ik zwakzinnig ben
met schoothond en schrikvel
houd ik een kruik warm
tegen me aan en praat
ik met je in mijn slaap.
Als je nu kan begrijpen
wat ik dan ga bedoelen,
krakende dorre tak dat ik ben,
ga ik me niet zo afgebroken voelen
maar meer een uitgeblazen paarde-
bloem. Hoor je me dazen?
Daar gaan mijn parachuutjes al.
Judith Herzberg
In: Tirade, G.A. van Oorschot, Amsterdam 1961
-
4 oktober
(dierendag)
Op een geit
Een geit heeft laatst in Duivendrecht
een porseleinen ei gelegd,
zo sierlijk, dat het zelfs te Sèvres
beschouwd wordt als een oeuf de chèvre.
‘Ik heb al leggend’, zegt zij zacht,
‘heel diep aan iets heel moois gedacht.’
Kees Stip
Uit: Het grote beestenfeest, Bert Bakker, Amsterdam 1988.
-
3 oktober
Chr. J. van Geel
gevonden op: https://www.chrisvangeel.nl
-
2 oktober
Het menselijk geluk
De huur betaald. De stoep geschuurd.
Een goeie visboer in de buurt.
En een meid die als ze naast je gaat,
loopt te zingen over straat.
Willem Wilmink
In: De Tweede Ronde, Bert Bakker, Amsterdam 1986
-
1 oktober
Oktober
Oktober met uw donkerblauwe dagen,
Uw koesterende warmte en koelend licht.
’t Hart kan uw heerlijkheid haast niet dragen.
Gij zijt té schoon voor ons verweend gezicht.
O, tranen kunnen onze ziel niet zuivren,
Zij maken ons ellendig en zo zwak,
Dat wij voor uw milde weelde huivren,
Als uw wit licht in stille kleuren brak.
Gij hangt de weke bleekten uwer misten
Verdoezelend langs bos en bonte baan,
Dat niet de ziel door aardes schone listen
Zich laat verhindren om tot God te gaan.
Aarde, zo hartelijk en troostend teder,
Moederlijk bij oktobers avondval!
Ziel zag God vluchtig, wanneer komt Hij weder?
Het schemert, wanneer dat Hij komen zal?
De avond staat rood ontloken in het westen,
De lichte wind wordt wakker in de oost,
O, ziel! uw beemden bloeien ook ten leste.
Uw rozelaar staat bloedend overbloosd.
God zal de dauw van zijn gena doen vloeien,
Dat de eglantier hem met zijn geur verrukt.
Ziel ’t is oktober! haast u dan te bloeien!
Berst uit in bloei, ziel, want God komt en plukt.
Willem de Mérode
Uit: Het kostbaar bloed. Van Loghum Slaterus & Visser, Arnhem 1922
-
30 september
Het blote moeten
Gisteren had ik nog schoenen
vandaag loop ik blootvoets
op kiezels om bij jou te geraken
je drempel wordt bewaakt
door een gitzwarte hond
met verwijde pupillen en
ontstoken tandvlees dat hij
gewoontegetrouw toont zonder fut.
Ik roep je naam tweemaal en
de hond echoot mij na
je opent de deur en
trekt me driftig naar binnen
de tafel is gedekt en
je wilt beginnen.
Na de maaltijd verzorg je mijn voeten
je vraagt niet waar mijn schoenen zijn
je krabt opgedroogde saus uit mijn haren
ik moet je dankbaar zijn.
Delphine Lecompte
In: Het liegend Konijn
Van Halewyck, Leuven & Meulenhoff, Amsterdam 2009