19 oktober
25 IV 2010
In houdbaar geval van ongekunsteldheid
bepalen we de ochtend erop
de zuurgraad van het kussensloop,
de datum van de dag.
Drup het kraantje, knip het lampje aan,
spiegeltje en rimpeltjes wat jammermooi.
Niet te consumeren na: zie dop.
Onze avonden zijn stil geworden, nee stil.
(wat ik voel, ongesteld alweer)
‘Op tijd voor de extase is te laat voor het getij.’
Om de even minuut zeg jij: wat zei jij mij?
Anne Vegter
In: Tirade, G.A. van Oorschot, Amsterdam 2000
-
-
18 oktober
De eenzame en zijn hart
Toen 'k door de stad ging langs een tuinmuur zeeg
Een dor blad op mijn schouder. 't Was October.
De gracht rimpelde onder 't gebroken koper
Der blaren. De avondlucht was hoog en leeg.
Mijn hart, wij hebben eenzaam met elkaar
De langzame seizoenen door geloopen.
Maar dit seizoen, vriend, is zoo ijl en open:
En jouw voorzichtig kloppen is zoo zwaar.
Ik bleef dicht aan den grond. Ik greep met dorst
Omlaag, zooals een wortel 't gras ingrijpt,
En 't opgezogen sap heeft jou gerijpt,
Nu kun je heengaan, bonzer in mijn borst.
Jij bleef een geel en altijd bevend blad,
Goddank, nu kan je vluchten uit de stad.
Martinus Nijhoff
Uit: Verzamelde gedichten
Uitgeverij Bert Bakker, Amsterdam 2001
-
17 oktober
Vrede is eten met muziek
Vredig eten is goed eten
Want lekker eten doet men alleen in rust en vrede
Voor een goede spijsvertering is het een vereiste
Dat men elk hapje minstens vijftienmaal kauwt
Daarom eet men met muziek ook beter
Want onder vrolijke tonen bewegen de kaken vanzelf
Harmonieus en met de kaken ook de slokdarm
En later zelfs de overige dertig meter
Lange darmen in de buik
Vrede is goed eten met goede muziek
Met marsmuziek kan men beter lopen dan eten
Als men dan ook maar vredig loopt
En niet meemarcheert met een troep soldaten
Tegen andere soldaten
Dan is marsmuziek net zo bedorven
Als besmet voedsel
Maar bij dansmuziek is het zeker goed eten
Want dansen is geen vechten
Wie danst houdt rekening met andere dansers
Zoals men onder het eten niet alle
Lekkere hapjes alleen verorbert maar die deelt
Met overig disgenoten.
Lucebert
Gevonden op www.gedichten.nl
-
16 oktober
Moeders lessen
Jongen, liefde is vrij hopeloos.
Het overkomt geen fotomodellen
maar gewone, lelijke mensen
zoals wij. Je wordt er niet
beter van, je kijkt een week
wat minder treurig misschien.
Kortom, een hoop gedoe, slecht
voor je rug...
Blijf toch gezellig thuis,
dan leggen we nog een scrabbeltje.
Ingmar Heytze
Uit: De Allesvrezer
Sjaloom en Wildeboer, Amsterdam 2000
-
15 oktober
Bij Loosdrecht
Als dit Ierland was,
zou ik beter kijken.
K. Schippers
Uit: Een leeuwerik boven een weiland
Querido, Amsterdam 1996
-
14 oktober
Tegen de weemoed
Een karavaan voddenmannen
trekt al dagen klagend
langs het raam. Jaargetij
van stafrijm. De krant
die uit de schemering
de gang inglijdt is klam.
Commentaren vragen aandacht
voor de dodo, en je weet:
het is oktober. Valt een spin
het afwaswater in. Najaar,
vuurtje in de nevel, slaapje
van de luiheid, de wereld
wordt weer één, zelfs de spreeuwen
boven het station zijn onverdeeld,
waaiers, grandioos vertoon
van tucht, vereende turnsters
die zich voegen naar de beeltenis
van hun bejaarde leider: Weemoed,
vijand van de poëzie, de ogen
van de dichters zien alleen
hun eigen wimpers, druppels,
tranen mist, melancholie.
Willem Jan Otten
Gevonden op: gedichten.nl
-
13 oktober
Plaza
Nergens wind. Toch hield een man een vrouw
stevig beet, een vrouw een kind. De beentjes
bewogen zelf. Daarboven aan touw een ballon
als een vis. Daarboven de zon, laaiend.
Het kind hield de vis niet meer. Keek hoe hij
steeg, zwaaide hem na. Wat is er? Wat is er?
De man liet de vrouw los, holde de lucht in,
haalde die helemaal leeg.
Joke van Leeuwen
Uit: Vier manieren om op iemand te wachten
Querido, Amsterdam 2013
-
12 oktober
Niet rooskleurig
het licht van mijn feiten:
een handvol dode mussen
en geen vogel in zicht.
Toch hoor ik hem zingen,
de lijster, voorbode van
de zoveelste lente
en prompt steekt de hoop
zijn zoveelste kop op.
Hanny Michaelis
Uit: Onvoorzien, Van Oorschot, Amsterdam 1966
-
11 oktober
En voor den eten, 's middags, werd de zegen
Gevraagd van ‘Vader, die al 't leven voedt’,
En die zoo trouw ‘ons spijzigt met het goed’.
Dat wìj wèl ‘van Zijn milde hand verkregen’.
Hij gaf de zon, en, als 't moest zijn, de regen;
En deden we onze plicht met vroom gemoed,
En leerden braaf en waren altijd zoet,
Zou Hij ons leiden op al onze wegen.
En vlak na 't bidden praatte je niet hard;
'T was of een heel fijn, een heel prachtig ding
Rondom het eten over tafel hing;
En dankbaar was ik dan met heel mijn hart,
Dat we zoo prettig bij elkander zaten;
Behalve 's Maandags, als we zuurkool aten.
ADWAITA
(Johan Andreas Dèr Mouw)
Uit: Volledig Dichtwerk, G.A. van Oorschot, Amsterdam 1986
-
10 oktober
Monoloog in de nacht
Wij zijn, mijn lief, twee werelden zo ver
uiteen als aarde en morgenster
en zo tot eenheid omgedicht
als twee profielen van een gezicht
En samen zijn we van de kleine
smarten tot in de zeldzame festijnen
van ons beider leven
wat valt er nog te geven?
Jij kent als ik dat panische gevoel
jezelf te zijn en tevens doel
van de geliefde, even verwant
als vreemd, een zee aan strand
Vaak zijn wij één in brandingslust
van een tezaambewoonde kust
ook is er ebbe, een ver wijken,
een machteloos vertwijfeld reiken
Diep is de nacht. Ach waren wij haarzelve
zodat wij konden uitwelven
over elkander heel ons wezen -
waren wij een en alleen en boven deze
eenheid en alleenheid uit ons-beiden
zodat wij zonder te schenden scheiden
konden en zonder pijn alleen zijn -
Anna Blaman
Uit: Anna Blaman over zichzelf en anderen, Meulenhoff, Amsterdam 1968