11 januari
Freekje Pauw zit op de trap
met een bordje griesmeelpap.
Freekje Pauw mag er niet af,
want dat jongetje heeft straf.
Freekje zei: “ik lust geen gries
‘k eet het niet, ik vind het vies.”
Met zijn lepel knoeide hij,
toen keek vader op en zei:
“Freekje ga maar naar de gang
en daar blijf je net zo lang
tot dat hele griesmeelbord
netjes leeggegeten wordt.”
En nu zit die Freekje daar,
al zijn zusjes zijn al klaar
en gaan fijn met moes op stap,
Freek blijft achter op de trap.
Als het bijna donker wordt
rollen tranen in zijn bord.
Maar al heeft hij ook verdriet
eten doet hij toch nog niet.
Weet er een van jullie raad
dat die jongen eten gaat?
Want hoe moet dat verder nou
met die domme Freekje Pauw?
Mies Bouhuys
D.A. Daamen's Uitgeversmaatschappij NV, 1952
-
-
10 januari
Polderland
De verten komen eindeloos mij tegen,
gaan door mij heen en achter mij teloor.
Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,
recht en gelukkig, en weet niet waarvoor
ik zoveel hemel heb van God gekregen,
met zoveel wolken en met zoveel dromen,
met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.
Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,
dit is het landschap voor zijn paradijs.
Ach, d’avond valt. – Rijd ik het donker door,
dan is het groot geluid van wind en regen
het enig landschap in mijn diepe oor.
J.W. Schulte Nordholt
uit: Levend landschap (1950)
-
9 januari
Vos onder ijs
Deze winter, bij het schaatsen:
vos onder ijs.
Twee glazen ogen keken op
alsof hij zo omhoog zou springen
met open bek
als het plotseling zomer werd.
Ik vlucht voor honderd boeren.
Water breekt.
Ik zwem mij langzaam dood.
Mijn laatste woorden zijn gedacht
ik kan niet meer
en spreken gaat niet hier.
Het is eenzaam. Aan deze kant.
Van het papier.
Het is zo eenzaam hier.
Ingmar Heytze
Voor de liefste onbekende,
Podium, Amsterdam 2016
-
8 januari
SCHAATSENRIJDER
Over zijn strenge cirkels heengebogen
eigent hij zich de middelpunten toe
Hun trots bezit staat in zijn harde ogen
Hij wordt de mathematica niet moe
waarmee elk nieuw uitvieren zich voltrekt
om elke nieuwe inkeer op te vangen
Zie hem in rustige beslissing hangen
boven het tijdeloze dat hij wekt
en kantelend in tegenkringen leidt
voor het een snelle, ronde dood zou vinden
Hij heeft zich van de wereld bevrijd;
enkel de smalle ijzers die hem binden
aan 't evenbeeld. Een laatste trouw misschien?
Wat kan hij in de spiegel nog verwachten?
Of houdt een vrouweschim die wij niet zien
hem vast binnen dit eenzaam veld van krachten?
IJskoude liefde, die niet sterven wil,
omdat de dode lelies onder water
haar eenmaal droegen in hun gouden harten,
waarmee de vijver vol lag, zwaar en stil.
Gerrit Achterberg
Verzamelde gedichten, Querido, Amsterdam 1984
-
7 januari
Geboorte van de kleuren
Het grijs hield vol dat alles wit was
wat niet zwart was, dat alles dag was
wat niet nacht was. De vele kleuren
verbleven clandestien in het zonlicht
dat hen nog niet kon velen.
Wat wij nu rood vinden was wijnwit.
Oranje? Volle-melkwit.
Geel was een heel oud wit.
Groen, een grijzend wit.
Het blauw was nog zo bleu.
Indigo bleef maar bleken.
Violet werd olievet.
En verder was er zwart. Elke nacht
waren de tijden zwart. Elke zee
was zwart, elk woud, elk werelddeel.
De kunst was zwart, zo zwart als
de wereldziel. De inkt was Oost-Indisch
kleurendoof.
Moest er nog daglicht wezen?
vroeg de ochtend soms, of liever
vroeg de regen ('t regende pijpen-
stelen). De zon scheen daardoorheen
en kleurde als een boei,
werd een oranjeappel,
verschoot van vroeg goud
tot geel en groen,
zag dan weer blauw,
waste met indigo
een bloembed, violet.
De eerste regenboog
sprong in het eerste oog.
Stefaan van den Bremt
In een mum van taal
Lannoo, Tielt 2002
-
6 januari
Het kindje lag gewikkeld
Het kindje lag gewikkeld in de doeken
Op moeders schoot; het was een armlijk kot:
De koe en ezel stonden achter ’t schot.
‘Wat die drie koningen in ’t huisje zoeken?’
Jozef was graag gevlucht in donkre hoeken.
Hij hield zich stil terzij: hij zat voor zot.
Maar noch gevolg noch vorsten toonden spot:
Geschenken biedend knielden zij, die kloeken.
Rondom de stal was van de rossen ’t neien,
Uit de open hemel zongen englenreien,
’t Kindje zat stil en zag en hoorde ’t aan.
Maria lachte en vond het heel natuurlijk.
Jozef besloot: het spel was puur figuurlijk.
Slechts koe en ezel hadden ’t feest verstaan.
Albert Verwey
Tijdschrift De Beweging, jaargang 5.
W. Versluys, Amsterdam 1909
-
5 januari
't Er viel 'ne keer
(Herinnering aan Beethoven's Septuor.)
't Er viel 'ne keer een bladtjen op
het water
't Er lag 'ne keer een bladtjen op
het water
En vloeien op het bladtje dei
dat water
En vloeien dei het bladtjen op
het water
En wentel-winkelwentelen
in 't water
Want 't bladtjen was geworden lijk
het water
Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
het water
Zoo lijzig en zoo leutig als
het water
Zoo rap was 't en gezwindig als
het water
Zoo rompelend en zoo rimpelend
als water
Zoo lag 't gevallen bladtjen op
het water
En m' ha' gezeid het bladtjen ende
'et water
't En was niet 't een een bladtje en 't an-
der water
Maar water was het bladtje en 't blad-
tje water
En 't viel ne keer een bladtjen op
het water
Als 't water liep het bladtje liep,
als ’t water
Bleef staan het bladtje stond daar op
het water
Er rees het water 't bladtje rees,
en 't water
En daalde niet of 't bladtje daalde
en 't water
En dei niet of het bladtje dei 't
in 't water.
Zoo viel der eens een bladtjen op
het water
En blauw was 't aan den hemel end'
in 't water
En blauw en blank en groene blonk
het water
En 't bladtjen loech en lachen dei
dat water
Maar 't bladtje en wa' geen bladtjen neen
en 't water
En was nie' meer als 't bladtjen ook
geen water
Mijn' ziele was dat bladtjen: en
dat water
Het klinken van twee harpen wa'
dat water
En blinkend in de blauwte en in
dat water
Zoo lag ik in den Hemel van
dat water
Den blauwen blijden Hemel van
dat water
En 't viel ne keer een bladtjen op
het water
En 't lag ne keer een bladtjen op
het water.
Guido Gezelle
Dichtwerken, L.J. Veen, Amsterdam 1949
-
4 januari
Winter
De witte weg zucht
venster een stil leven
met de twee geraniën
achter de ruit
waar ook leggen tans
mijn ogen
op de bloemen
die zij schiepen
dauw
Paul van Ostaijen
Nagelaten gedichten, Prometheus Bakker, Amsterdam 1995
-
3 januari
Sneeuwbui
Het nieuwe jaar begint met zachte vlokken
die zachtjes dalen en onwillig landen.
Het aarden wordt hun dooi, of ze zich branden
aan warme aardkorst, hete huizenblokken.
De aarde drinkt de sneeuw met grote slokken
en raakt verkild tot in haar ingewanden.
De vlokken winnen door hun massa. Wanden
van groen worden van spikkelwit doortrokken.
De grondverf dekt. Dimensies dijen uit.
En kijk, daar is de kerstkaart, rijstepap.
Een hond danst lachend - met een wolvensnuit
door zindelijk wit Hollands poollandschap.
Een Alptraum van één dag. De witte bruid
lost zachtjes schreiend op in grijze drab.
Patty Scholten
Uit: ongekuste kikkers
Atlas Amsterdam 1997
-
2 januari
Als twee witte schepen
voor Ofiti
Op een dag die verdrietig is,
omdat er geen geld in huis is
en het regent schuldeisers
en kwade woorden
en mijn werk is het wachten moe
en ik ben het werken moe
en een kind huilt omdat het niet mee mag
en zij schrijft een brief
aan een ander
(een Amerikaan nota bene!):
ik wil met je trouwen
(met een Amerikaan nota bene!),
op zo'n dag
wilde ik dat we aan het water woonden
of zelf water waren
of over dat water
konden varen als twee witte schepen
naar waar wij de wereld nog niet kennen.
Remco Campert
In: Tirade, jaargang 1, Van Oorschot, Amsterdam 1957