• 11 januari

    Freekje Pauw zit op de trap
    met een bordje griesmeelpap.
    Freekje Pauw mag er niet af,
    want dat jongetje heeft straf.

    Freekje zei: “ik lust geen gries
    ‘k eet het niet, ik vind het vies.”
    Met zijn lepel knoeide hij,
    toen keek vader op en zei:

    “Freekje ga maar naar de gang
    en daar blijf je net zo lang
    tot dat hele griesmeelbord
    netjes leeggegeten wordt.”

    En nu zit die Freekje daar,
    al zijn zusjes zijn al klaar
    en gaan fijn met moes op stap,
    Freek blijft achter op de trap.

    Als het bijna donker wordt
    rollen tranen in zijn bord.
    Maar al heeft hij ook verdriet
    eten doet hij toch nog niet.

    Weet er een van jullie raad
    dat die jongen eten gaat?
    Want hoe moet dat verder nou
    met die domme Freekje Pauw?

    Mies Bouhuys
    D.A. Daamen's Uitgeversmaatschappij NV, 1952


    januari 11, 2025


  • 10 januari

    Polderland

    De verten komen eindeloos mij tegen,
    gaan door mij heen en achter mij teloor.
    Ik rijd zo blank langs altijd nieuwe wegen,
    recht en gelukkig, en weet niet waarvoor
    ik zoveel hemel heb van God gekregen,

    met zoveel wolken en met zoveel dromen,
    met zo’n oneindig aantal kleuren grijs.
    Dit zijn de luchten waar God weer zal komen,
    dit is het landschap voor zijn paradijs.

    Ach, d’avond valt. – Rijd ik het donker door,
    dan is het groot geluid van wind en regen
    het enig landschap in mijn diepe oor.

    J.W. Schulte Nordholt
    uit: Levend landschap (1950)
    januari 10, 2025


  • 9 januari

    Vos onder ijs


    Deze winter, bij het schaatsen:
    vos onder ijs.
    Twee glazen ogen keken op

    alsof hij zo omhoog zou springen
    met open bek
    als het plotseling zomer werd.

    Ik vlucht voor honderd boeren.
    Water breekt.
    Ik zwem mij langzaam dood.

    Mijn laatste woorden zijn gedacht
    ik kan niet meer
    en spreken gaat niet hier.

    Het is eenzaam. Aan deze kant.
    Van het papier.
    Het is zo eenzaam hier.

    Ingmar Heytze
    Voor de liefste onbekende,
    Podium, Amsterdam 2016
    januari 9, 2025


  • 8 januari

    SCHAATSENRIJDER
    Over zijn strenge cirkels heengebogen
    eigent hij zich de middelpunten toe
    Hun trots bezit staat in zijn harde ogen
    Hij wordt de mathematica niet moe

    waarmee elk nieuw uitvieren zich voltrekt
    om elke nieuwe inkeer op te vangen
    Zie hem in rustige beslissing hangen
    boven het tijdeloze dat hij wekt

    en kantelend in tegenkringen leidt
    voor het een snelle, ronde dood zou vinden
    Hij heeft zich van de wereld bevrijd;
    enkel de smalle ijzers die hem binden
    aan 't evenbeeld. Een laatste trouw misschien?

    Wat kan hij in de spiegel nog verwachten?
    Of houdt een vrouweschim die wij niet zien
    hem vast binnen dit eenzaam veld van krachten?
    IJskoude liefde, die niet sterven wil,

    omdat de dode lelies onder water
    haar eenmaal droegen in hun gouden harten,
    waarmee de vijver vol lag, zwaar en stil.

    Gerrit Achterberg
    Verzamelde gedichten, Querido, Amsterdam 1984
    januari 8, 2025


  • 7 januari

    Geboorte van de kleuren

    Het grijs hield vol dat alles wit was
    wat niet zwart was, dat alles dag was
    wat niet nacht was. De vele kleuren
    verbleven clandestien in het zonlicht
    dat hen nog niet kon velen.

    Wat wij nu rood vinden was wijnwit.
    Oranje? Volle-melkwit.
    Geel was een heel oud wit.
    Groen, een grijzend wit.
    Het blauw was nog zo bleu.
    Indigo bleef maar bleken.
    Violet werd olievet.

    En verder was er zwart. Elke nacht
    waren de tijden zwart. Elke zee
    was zwart, elk woud, elk werelddeel.
    De kunst was zwart, zo zwart als
    de wereldziel. De inkt was Oost-Indisch
    kleurendoof.

    Moest er nog daglicht wezen?
    vroeg de ochtend soms, of liever
    vroeg de regen ('t regende pijpen-
    stelen). De zon scheen daardoorheen
    en kleurde als een boei,
    werd een oranjeappel,
    verschoot van vroeg goud
    tot geel en groen,
    zag dan weer blauw,
    waste met indigo
    een bloembed, violet.

    De eerste regenboog
    sprong in het eerste oog.

    Stefaan van den Bremt
    In een mum van taal
    Lannoo, Tielt 2002
    januari 7, 2025


  • 6 januari

    Het kindje lag gewikkeld

    Het kindje lag gewikkeld in de doeken
    Op moeders schoot; het was een armlijk kot:
    De koe en ezel stonden achter ’t schot.
    ‘Wat die drie koningen in ’t huisje zoeken?’

    Jozef was graag gevlucht in donkre hoeken.
    Hij hield zich stil terzij: hij zat voor zot.
    Maar noch gevolg noch vorsten toonden spot:
    Geschenken biedend knielden zij, die kloeken.

    Rondom de stal was van de rossen ’t neien,
    Uit de open hemel zongen englenreien,
    ’t Kindje zat stil en zag en hoorde ’t aan.

    Maria lachte en vond het heel natuurlijk.
    Jozef besloot: het spel was puur figuurlijk.
    Slechts koe en ezel hadden ’t feest verstaan.

    Albert Verwey
    Tijdschrift De Beweging, jaargang 5.
    W. Versluys, Amsterdam 1909
    januari 6, 2025


  • 5 januari

    't Er viel 'ne keer
    (Herinnering aan Beethoven's Septuor.)

    't Er viel 'ne keer een bladtjen op
    het water
    't Er lag 'ne keer een bladtjen op
    het water
    En vloeien op het bladtje dei
    dat water
    En vloeien dei het bladtjen op
    het water
    En wentel-winkelwentelen
    in 't water
    Want 't bladtjen was geworden lijk
    het water
    Zoo plooibaar en zoo vloeibaar als
    het water
    Zoo lijzig en zoo leutig als
    het water
    Zoo rap was 't en gezwindig als
    het water
    Zoo rompelend en zoo rimpelend
    als water
    Zoo lag 't gevallen bladtjen op
    het water
    En m' ha' gezeid het bladtjen ende
    'et water
    't En was niet 't een een bladtje en 't an-
    der water
    Maar water was het bladtje en 't blad-
    tje water
    En 't viel ne keer een bladtjen op
    het water
    Als 't water liep het bladtje liep,
    als ’t water

    Bleef staan het bladtje stond daar op
    het water
    Er rees het water 't bladtje rees,
    en 't water
    En daalde niet of 't bladtje daalde
    en 't water
    En dei niet of het bladtje dei 't
    in 't water.
    Zoo viel der eens een bladtjen op
    het water
    En blauw was 't aan den hemel end'
    in 't water
    En blauw en blank en groene blonk
    het water
    En 't bladtjen loech en lachen dei
    dat water
    Maar 't bladtje en wa' geen bladtjen neen
    en 't water
    En was nie' meer als 't bladtjen ook
    geen water
    Mijn' ziele was dat bladtjen: en
    dat water
    Het klinken van twee harpen wa'
    dat water
    En blinkend in de blauwte en in
    dat water
    Zoo lag ik in den Hemel van
    dat water
    Den blauwen blijden Hemel van
    dat water
    En 't viel ne keer een bladtjen op
    het water
    En 't lag ne keer een bladtjen op
    het water.

    Guido Gezelle
    Dichtwerken, L.J. Veen, Amsterdam 1949
    januari 5, 2025


  • 4 januari

    Winter

    De witte weg zucht
    venster een stil leven
    met de twee geraniën
    achter de ruit
    waar ook leggen tans
    mijn ogen
    op de bloemen
    die zij schiepen
    dauw

    Paul van Ostaijen
    Nagelaten gedichten, Prometheus Bakker, Amsterdam 1995
    januari 4, 2025

  • 3 januari

    Sneeuwbui

    Het nieuwe jaar begint met zachte vlokken
    die zachtjes dalen en onwillig landen.
    Het aarden wordt hun dooi, of ze zich branden
    aan warme aardkorst, hete huizenblokken.

    De aarde drinkt de sneeuw met grote slokken
    en raakt verkild tot in haar ingewanden.
    De vlokken winnen door hun massa. Wanden
    van groen worden van spikkelwit doortrokken.

    De grondverf dekt. Dimensies dijen uit.
    En kijk, daar is de kerstkaart, rijstepap.
    Een hond danst lachend - met een wolvensnuit
    door zindelijk wit Hollands poollandschap.

    Een Alptraum van één dag. De witte bruid
    lost zachtjes schreiend op in grijze drab.


    Patty Scholten
    Uit: ongekuste kikkers
    Atlas Amsterdam 1997

    januari 3, 2025


  • 2 januari

    Als twee witte schepen

    voor Ofiti

    Op een dag die verdrietig is,
    omdat er geen geld in huis is
    en het regent schuldeisers
    en kwade woorden
    en mijn werk is het wachten moe
    en ik ben het werken moe
    en een kind huilt omdat het niet mee mag
    en zij schrijft een brief
    aan een ander
    (een Amerikaan nota bene!):
    ik wil met je trouwen
    (met een Amerikaan nota bene!),

    op zo'n dag
    wilde ik dat we aan het water woonden
    of zelf water waren
    of over dat water
    konden varen als twee witte schepen
    naar waar wij de wereld nog niet kennen.

    Remco Campert
    In: Tirade, jaargang 1, Van Oorschot, Amsterdam 1957
    januari 2, 2025

Vorige pagina Volgende pagina

Designed with WordPress