21 januari
Die Veles
Hulle leef op skuld
tot Vrydagaand,
en tot die einde van die maand;
Gaan goed gekleed, soos wie weet wie
trakteer mekaar op simpatie;
Ontspan by voorkeur
in die fliek,
dans dol op radiomusiek;
Sing luidkeels Sondae in die kerk,
vloek roekeloos Maandae by die werk;
Doen siektes op,
en word gesond
gaan tog maar môre weer te grond;
Teel kleingoed bij die tros, en stort
g’n traan oor wat van hulle word!
Die jare gaan,
die jare kom;
hulle mors die Tien Gebooie om –
Trek kort op sestig pensioen,
en raak met God en mens versoen.
Sidney Vernon Petersen
In: Groot Verseboek, D.J. Opperman,Nasionale Boekhandel, Kaapstad, Bloemfontein, Johannesburg, 1959
-
-
Oote
Oote oote oote
Boe
Oote oote
Oote oote oote boe
Oe oe
Oe oe oote oote oote
A
A a a
Oote a a a
Oote oe oe
Oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe
Oe oe oe oe oe oe oe
Oe oe oe etc.
Oote oote oote
Eh eh euh
Euh euh etc.
Oote oote oote boe
etc.
etc.etc. etc.
Hoe boe boe boe
Hoe boe boe boe
B boe
Boe oe oe
Oe oe (etc.)
Oe oe oe oe
etc.etc.
Eh eh euh euh euh
Oo-eh oo-eh o-eh eh eh eh
Ah ach ah ach ach ah a a
Oh ohh ohh hh hhh (etc.)
Hhd d d
Hdd
D d d d da
D dda d dda da
D da d da d da d da d da da
da
Da da demband
Demband demband dembrand dembrandt
Dembrandt Dembrandt Dembrandt
Doe d doe d doe dda doe
Da do do do da do do do
Do do da do deu d
Do do do deu deu doe deu deu
Deu deu deu da dd deu
Deu deu deu deu
Kneu kneu kneu kneu ote kneu eur
Kneu kneu ote kneu eur
Kneu ote ote ote ote ote
Ote ote ote
Ote ote
Boe
Oote oote oote boe
Oote oote boe oote oote boe
Jan Hanlo
In: Roeping (28e jaargang, no. 3, jan-feb 1952)
-
19 januari
Drinklied
Wie in 't café naar binnen kijkt,
Ziet door het raam gezelligheid.
Vergis je niet het is maar schijn:
Neem dat maar aan van Dorrestijn.
We verzuipen onze ellende
En vergooien ons geluk
En we slaan zo tussenbeide
Wel voor dertig gulden stuk.
Iedereen heeft hier wel wat,
Licht beneveld, ladderzat.
In ieders glas zit spijt en pijn:
't Meest in dat van Dorrestijn.
Treed rustig binnen, wandelaar!
Voor jou staat ook het glas al klaar.
Maar voor drank moet er een reden zijn:
Een jeugd als die van Dorrestijn.
En moet je er laveloos vandoor,
Dan komt er een taxi voor.
Daar moet dan nog wel geld voor zijn:
Ach, leen dat maar van Dorrestijn.
We verzuipen onze ellende
En vergooien ons geluk
En we slaan zo tussenbeide
Wel voor dertig gulden stuk.
Hans Dorrestijn
Uit: Ik zou je het liefste in een doosje willen doen Nijgh & Van Ditmar, Amsterdam 1989
-
18 januari
Clowns
Wij zijn de circusclowns
We doen dit werk al eeuwen
We komen meestal
Na de leeuwen
Toon Hermans
Uit: Liggen in het gras, De Boekerij, Amsterdam 1978
-
17 januari Fisches Nachtgesang
− ⋃ ⋃ − − ⋃ ⋃ ⋃ ⋃ − − − ⋃ ⋃ ⋃ ⋃ − − − ⋃ ⋃ ⋃ ⋃ − − − ⋃ ⋃ ⋃ ⋃ − − ⋃ ⋃ −
Christian Morgenstern Uit: Alle Galgenlieder Diogenes, Zürich 1981
-
16 januari
Made in Madurodam (5)
De kroketten in het restaurant
zijn aan de kleine kant.
Cornelis Vaandrager
In: Gard Sivik, jrg 7, 1964
-
15 januari
De idioot in het bad
Met opgetrokken schouders, toegeknepen ogen,
haast dravend en vaak hakend in de mat,
lelijk en onbeholpen aan zusters arm gebogen,
gaat elke week de idioot naar ‘t bad.
De damp, die van het warme water slaat
maakt hem geruster: witte stoom…
En bij elk kledingstuk, dat van hem afgaat,
bevangt hem meer en meer een oud vertrouwde droom.
De zuster laat hem in het water glijden,
hij vouwt zijn dunne armen op zijn borst,
hij zucht, als bij het lessen van zijn eerste dorst
en om zijn mond gloort langzaamaan een groot verblijden.
Zijn zorgelijk gezicht is leeg en mooi geworden,
zijn dunne voeten staan rechtop als bleke bloemen,
zijn lange, bleke benen, die reeds licht verdorden
komen als berkenstammen door het groen opdoemen.
Hij is in dit groen water nog als ongeboren,
hij weet nog niet, dat sommige vruchten nimmer rijpen,
hij heeft de wijsheid van het lichaam niet verloren
en hoeft de dingen van de geest niet te begrijpen.
En elke keer, dat hij uit ‘t bad gehaald wordt,
en stevig met een handdoek drooggewreven
en in zijn stijve, harde kleren wordt gesjord
stribbelt hij tegen en dan huilt hij even.
En elke week wordt hij opnieuw geboren
en wreed gescheiden van het veilig water-leven,
en elke week is hem het lot beschoren
opnieuw een bange idioot te zijn gebleven.
M. Vasalis
Uit: Parken en woestijnen, A.A.M. Stols, Maastricht, 1940
-
14 januari
De droom van Jan Klaassen
Ik kom stiekem op, goed
oplettend dat de draadjes niet verstrikken
in het decor,
ik rinkel (vrolijk) met mijn belletjes,
ruk mijn mutsje van het hoofd
en voor mijn baas van de schrik bekomen is,
spreek ik met mijn eigen stem,
begrijpen jullie goed,
met mijn eigen stem,
uit mijn eigen hoofd,
voor het eerst en voor het laatst,
want daarna stoppen ze mij weer in de doos
en leggen mij in zijdezacht papier,
ik zal zeggen wat ik op de tong heb
die hele eeuwigheid van hout,
ik zal zeggen, ook al zal mijn stem wellicht
komisch klinken, pijnlijk vals in het gehoor,
ik zal het meest gewichtige zeggen, het cruciale,
ik zal mijn woordje doen...
Misschien zal het te horen zijn.
Misschien zal iemand het begrijpen.
Misschien zal er niet gelachen worden.
Misschien zal het groeien in de kinderen
en zich vastbijten in de groten.
Misschien verandert het de kleur van de coulissen.
Misschien verandert 't het bordkarton en
het schaduwspel van de reflectoren. Misschien
zet het in beweging
de wetten van de relativiteit.
Ik zal zeggen... Hallo, kinderen in de zaal,
Jan Klaassen buigt zich voor jullie allemaal!
Miroslav Holub
Vertaald door Kees Mercks
In: Raster. Jaargang 1981, De Bezige Bij, Amsterdam
-
13 januari
Gedichten
Ge-
dich-
ten
zijn
vaak
lang
en
smal
De
mij-
ne
wel
in
elk
ge-
val
Lang
maar
te-
ge-
lijk
ook
kort
Dat
zijn
ge-
dich-
ten
zo-
als
het
hoort
Te
lange
zijn
er
bij
de
vleet
Of
nog
er-
ger
lang
en
breed
Brede gedichten kan ik niet tegen
Meestal zijn ze strontvervelend
Hun dichters blijven onbegrepen
En mogen elkaar dan prijzen geven
Zo
stelt
de
po-
ë-
zie
toch
me-
nig-
een
te-
vre-
den
Be-
hal-
ve
de
cri-
tiek
maar
dat
zijn
in-
tel-
lec-
tu-
e-
len
Jules Deelder
In: De Nederlandse poëzie van de negentiende en twintigste eeuw in duizend en enige gedichten, Bert Bakker, Amsterdam
-
12 januari
Ikea
Bonde, Balder, Björken, Billy, Gunntorp, Ribba. Dokument,
Tjabba, Jutta, Mäkta, Nyland, Prägel, Dirigent,
Fjeldal. Knut, Rektangel, Stave, Lagfors, Leksvik, Lillberg,Lack, Klyka, Klitten, Klubbo, Klave, Klappa, Klippa, Klunsa,Klack, Arstid, Öresund, Jakt, Jekke, Dalby, Wicke, Reba,Läns, Flimrick, Flatdal, Flöte, Flekke, Flit, Flax, Fluffig,
Flygge, Fläns.
(Dit sonnet is nog niet klaar. Zet het zelf maar in elkaar.)
Frank van Pamelen
Ikea en andere verzen, Nijgh & Van Ditmar, 2008