31 januari
Winter
Winter. Je ziet weer de bomen
door het bos, en dit licht
is geen licht maar inzicht:
er is niets nieuws
zonder de zon.
En toch is ook de nacht niet
uitzichtloos, zolang er sneeuw ligt
is het nooit volledig duister, nee,
er is de klaarte van een soort geloof
dat het nooit helemaal donker wordt.
Zolang er sneeuw ligt is er hoop.
Herman de Coninck
Zolang er sneeuw ligt
Orion, Brugge, 1975
-
-
30 januari
De schalmei
Zeven zonen had moeder:
Allen heetten Peter,
Behalve Wanjka die Iwan heette.
Allen konden werken:
Eén was geitenhoeder,
Eén vlocht sandalen,
Eén zelfs bouwde kerken;
Maar Iwan die Wanjka heette
Wilde niet werken.
Op een steen in de zon gezeten
Bespeelde hij zijn schalmei.
'O, mijn lieve,
Mijn lustige,
Laat mij spelen
In de schaduw van mijn
Korte rustige vallei.
Laat andren werken,
Sandalen maken of kerken.
Wanjka heeft genoeg aan zijn schalmei.
J.J. Slauerhoff
Verzamelde gedichten,
Nijgh en Van Ditmar, Amsterdam 1999
-
29 januari

-
28 januari
Aan tafels
onder de tafel schuilt een on-
genadig kind, ze oefent later met
gepoetste schoenen die al ruiken
naar volwassen, ze komt tevoorschijn
mag een neproos knutselen van
crêpepapier dat afgeeft aan haar
natgelikte vingers — een levenloos
hondvormig wezen met twee
namaakogen en een namaakvacht
heeft zij een naam gegeven voor
de veiligheid — achter het raam liggen
twee steppen dwars verlaten op
de stoep, vier glazenwassers zakken
aan hun touwen langs de ruiten van
een flatgebouw — een echte hond trekt
aan zijn leiband, wil iets zeggen
wat zijn baasje niet verstaat — de haast
ritselt nerveus in feestversiering
opgespannen tussen gevels –
de avond zal over de daken schuiven –
een oorlog is een plotseling te laat
als iemand langer had geleefd, als
niet een virus, niet een egomaan
nog net op tijd vermoord, als niet
die massa als een moeder, niet die
woorden in de wind, als niet iets
eerder zonder misverstand wat uit
de diepte riep gehoord, als niet
de oogst, als niet het hoge water
niet die storm met onverwachte
kracht, als niet dat valse nieuws
dat onbehouwen onwaarachtigs
niet dat kind, als niet die in het lijf
geraakten met een leven voor zich
niet dat web dat zich om om, als
niet dat onverschillige gewillige
als niet de heb, als niet de heb
de heb, als niet het, als als niet
het het — hoe was de reis, hoe
lang denkt men te blijven, is het
ochtendlicht nog wat te veel
de nachtgordijnen liever dicht?
Joke van Leeuwen
Aan tafels (fragment) Querido, Amsterdam 2022
-
27 januari
Word
Overal is water en alles zingt, wolken
bewegen in de diepte van plassen
op straten die de wolken niet kennen
en de hemel heeft geen weet van de aarde
vingertoppen van bomen, die van gevoel
dat sterft in de herfst en er nu nog is
zijn klankkastjes voor al die vingers van regen
overal schuilen mensen en iemand
loopt door tijd die al bijna verdwenen is
koud watergetokkel op het gezicht
en weet; de wolken weten niet van de regen
het water weet niet van de bladeren
waaruit het de muziek slaat, ritmes, taal
en de snelle zilveren aanrakingen
die leven heten en beweging
kennen de druppels op mijn gezicht niet
en straks ben ik dit alles allemaal.
Esther Jansma
Uit: We moeten ‘misschien’ blijven denken, Prometheus, Amsterdam 2024
-
26 januari
Sneeuw
Het sneeuwt, niet jachtig, eerder tastend
Alsof het wit naar zwarte plekken zoekt.
Maar heel het landschap ligt al volgeboekt.
De dag staat zwaarbepakt om te vertrekken.
De bomen dromen rechtop in de sneeuw,
Verwonderd en in hun verwondering verrast.
De vorst heeft ieder takje afgetast.
Het is windstil, er valt niets te vertellen.
De laatste vlokken vallen, in de lucht
Zweeft al wat zonlicht, geel en droog.
En vogels, eerstgeborenen van het oog,
Haasten zich om de schade te herstellen.
Adriaan Morriën
Met twee maten, Bert Bakker / Daamen, Den Haag 1956
-
25 januari
De bomen waren stil,
de lucht was grijs,
de heuvelen zonder wil
lagen op vreemde wijs.
De mannen werkten wat
rondom in de aard,
als groeven ze een schat,
maar kalm en bedaard.
Over de aarde was
waarschijnlijk alles zo,
de wereld en 't mensgewas
ze leven nauw.
Ik liep het aan te zien
bang en tevreden,
mijn voeten als goede liên
liepen beneden.
Herman Gorter
De dag gaat open als een gouden roos, Bert Bakker, Amsterdam 1977
-
24 januari
Herrlich weit
Reeds werd ik voor de Rotary gevraagd, waar ik
het zelf wel naar gemaakt heb, want
ik heb het herrlich weit gebracht en ondanks dat
nog iets jongensachtigs behouden.
Mijn vrouw is in die jaren eigenlijk
nauwelijks ouder geworden, ze kleedt zich nog steeds
eenvoudig maar met smaak en maakt
's avonds textielschilderijen.
Onze kinderen noemen wij grut, het zijn
precies één jongen en één meisje, zij
zijn steeds het zonnetje in huis en wekken
bij vrienden afgunst of vertedering.
Als dit zo door gaat houd ik het niet tegen
dat 'k eens naar mijn figuurzaag grijp, 'n stuk triplex afzaag,
en in het hout met gloeiende breinaald brand:
Waar Liefde woont gebiedt de Heer Zijn zegen.
Anton Korteweg
Tussen twee stilten, Meulenhoff, Amsterdam 1982
-
23 januari
Bent u ook uit Amerongen?
Bent u ook uit Amerongen? vroeg de theedoek
aan de schort.
Wel, daar heb ik ook gewoond. M’n hele leven, tot
voor kort.
Wat toevallig, wat toevallig, zei de schort, het geeft
zo’n band!
Vindt u Amerongen ook de mooiste plaats van’t
hele land?
Ssst… een beetje zachter praten, zei theedoek
tot de schort,
anders zouden we riskeren, dat de rest afgunstig
wordt;
al die hemden en die broeken en die slopen aan
de lijn
zijn afgunstig, weet u, daar ze niet uit Amerongen
zijn!
Is het werkelijk? vroeg de schort. Dat is ontzettend
geborneerd!
Maar ze kunnen niet helpen, want ze hebben
niets geleerd.
Kijk ze daar nou toch ‘s hangen, met die afgunst in hun ziel!
Wat bekrompen, vindt u ook niet? Wat bekrompen, voor textiel!
‘k Zou niet met ze willen ruilen, zei de theedoek.
Voor geen goud!
Toen werd al het goed gestreken, op de
strijkplank, met de bout.
Wat een bruut he? riep de theedoek. Au! het sist!
Hij doet me pijn!
En hij heeft totaal geen eerbied; hij beseft niet Wie
We Zijn!
Ja, zo gaat het in de wereld. En het maakt ons weer
iets wijzer:
al of niet uit Amerongen, men komt onder ‘t hete ijzer.
Annie M.G. Schmidt
Uit: Ik ben lekker stout, Em. Querido, Amsterdam 1955
-
22 januari
Een stille ontmoeting
Even kwam ik je tegen,
het was al laat in de avond
en ik liep weer in de regen.
Je was snel voorbij.
Maar het was al genoeg,
het maakte me al blij.
Jotie T'Hooft
Poezebeest, Manteau , Brussel 1978