• 29 oktober

    Zal ik weggaan?
    Zal ik verdrietig worden en weggaan?
    Zal ik het leven eindelijk eens onbelangrijk vinden,
    mijn schouders ophalen
    en weggaan?
    Zal ik de wereld neerzetten (of aan iemand anders geven), denken:
    zo is het genoeg,
    en weggaan?
    Zal ik een deur zoeken,
    en als er geen deur is: zal ik een deur maken,
    hem voorzichtig opendoen
    en weggaan- met kleine zachtmoedige passen?
    Of zal ik blijven?

    Zal ik blijven?

    Toon Tellegen
    Uit: Alleen liefde, Querido Amsterdam 2002
    oktober 29, 2025


  • 28 oktober

    Nachttrein
    Na alles dit. Een vreemde, afgeleefde blik
    in een beslagen ruit. Dat afgehakte hoofd,
    die Hitler zonder snor: ben ik dat echt?
    Heeft daar, in die verwaande iezegrim,
    heeft daar een moeder in geloofd? Mijn god,

    waar is die plunderaar die met Walküren sliep,
    de dichter die op vogels en violen reed?
    Ik ben zo moe, zo vastgevroren in een vloek,
    en in de vuile ruit die zich verspreekt
    zie ik nog één keer mijn verloren blik,

    omlijst door angst en rook en zelfverwijt.
    Te laat. Geen hartstocht dreef mij naar de grens,
    geen Gorter of Lodeizen greep mijn pen. Te laat.
    En zoals alles wat met leven is behept
    ben ik op weg en kom ik aan.

    Menno Wigman
    Uit: 's Zomers stinken alle steden, Bert Bakker, 1997
    oktober 28, 2025


  • 27 oktober

    ROEPING
    Zuster Immaculata die al vier en dertig jaar
    verlamde oude mensen wast, in bed verschoont,
    en eten voert,
    zal nooit haar naam vermeld zien.
    Maar elke ongewassen aap die met een bord: dat hij
    vóór dit, of tegen dat is, het verkeer verspert,
    ziet 's avonds reeds zijn smoel op de tee vee.
    Toch goed dat er een God is.

    Gerard Reve

    Uit: Verzamelde gedichten
    Van Oorschot, Amsterdam 1987
    oktober 27, 2025


  • 26 oktober

    Aan Rika.

    Slechts éénmaal heb ik u gezien. Gij waart
    Gezeten in een sneltrein, die den trein
    Waar ik mee reed passeerde in volle vaart.
    De kennismaking kon niet korter zijn.

    En toch, zij duurde lang genoeg om mij
    Het eindloos levenspad met fletsen lach
    Te doen vervolgen. Ach! geen enkel blij
    Glimlachje liet ik meer, sinds ik u zag.

    Waarom ook hebt gij van dat blonde haar,
    Daar de engelen aan te kennen zijn? En dan,
    Waarom blauwe oogen, wonderdiep en klaar?
    Gij wist toch, dat ik daar niet tegen kan!

    En waarom mij dan zoo voorbijgesneld,
    En niet, als 't weerlicht, 't rijtuig opgerukt,
    En om mijn hals uw armen vastgekneld,
    En op mijn mond uw lippen vastgedrukt?

    Gij vreesdet mooglijk voor een spoorwegramp?
    Maar, Rika, wat kan zaalger voor mij zijn,
    Dan, onder helsch geratel en gestamp,
    Met u verplet te worden door één trein?

    Francois Haverschmidt
    Snikken en grimlachjes, H.A.M. Roelants, Schiedam z.j.

    oktober 26, 2025


  • 25 oktober

    Woninglooze
    Alleen in mijn gedichten kan ik wonen,
    Nooit vond ik ergens anders onderdak;
    Voor de' eigen haard gevoelde ik nooit een zwak,
    Een tent werd door den stormwind meegenomen.

    Alleen in mijn gedichten kan ik wonen.
    Zoolang ik weet dat ik in wildernis,
    In steppen, stad en woud dat onderkomen
    Kan vinden, deert mij geen bekommernis.

    Het zal lang duren, maar de tijd zal komen
    Dat voor den nacht mij de oude kracht ontbreekt
    En tevergeefs om zachte woorden smeekt,
    Waarmee 'k weleer kon bouwen, en de aarde
    Mij bergen moet en ik mij neerbuig naar de
    Plek waar mijn graf in 't donker openbreekt.

    J.J. Slauerhoff
    Verzamelde gedichten, A.A.M. Stols, Den Haag 1947
    oktober 25, 2025


  • 24 oktober

    Huis te Persingen

    Ze breekt de dag open met een schaaltje yoghurt en een lepeltje klei.
    In haar slaaphaar loopt ze de tuin in waar ze zaadpluizen ademt.

    Ze kijkt hoe mussen kruimels zoeken op het terras, zoals zij
    woorden vindt. Het woord zon om het leven te duiden.

    Hoort oorlog daar ook bij. Oorlogen die door het polderland trokken
    en hun doden achterlieten. Altijd die strijd om weg en water.

    Ze zou willen graven op die plek,
    haar handen uitstrekken naar wat daaronder verborgen is.

    Met nieuwe ogen tast ze het weiland af, ziet in de verte de stuwwal
    als een wachter tegen de hemel aangeschurkt, gelittekend en gevouwen.

    Op zondagen rende ze naar de velden waar de klaprozen bloeiden.
    Ze plukte en plukte tot het melksap langs haar vingers droop.

    Op de heuvel waar het Huis ooit stond, grazen nu koeien.
    Clara de Groen

    Gevonden op:
    https://meandermagazine.nl/2025/08/clara-de-groen/
    oktober 24, 2025


  • 23 oktober

    NEE
    Soms was er een aarzeling. Een kleuter op het strand
    die met zijn emmertje uit wassen ging. Ik zei ik ben
    niet vies maar toch bedankt. En hij: natuurlijk ben je
    vies geworden, overal ligt zand. Ik werd lamlendig
    wakker. Op al mijn wegen nooit één teken maar
    in dromen worden ze bij menigtes gegeven.
    Ooit nam ik niets in acht, ik volgde de bekoring en
    zij heeft mij niet meer thuisgebracht. Er is in heel
    de wereld nergens vrede, geen vader die mij terug
    verwacht, er is in heel de wereld nergens vrede.

    Er was iets in mij opgestaan dat niemand wist te
    temmen, het joeg mij op, beloofde mij een weelderig
    bestaan. Begeerte, zei mijn vader, is de wortel van het
    kwaad. Ik leerde dat het waar was maar ik leerde het
    te laat, de uitgestrekte leegte vrat me op en heeft me
    uitgebraakt. Er is in heel de wereld nergens vrede,
    geen vreugde die niet tegenstaat, er is in heel de wereld
    nergens vrede. Dit is mijn overtuiging en ik zoek haar
    tot op heden in een emmer aan een kleuterhand. Hij
    nadert en ik zeg tot in den treuren nee bedankt.

    Mieke van Zonneveld
    Uit: Leger
    De Bezige Bij, Amsterdam 2017
    oktober 23, 2025


  • 22 oktober

    Een soort verlies
    Samen gedeeld: seizoenen, boeken, muziek.
    De sleutels, de theekopjes, de broodmand, lakens en een bed.
    Een uitzet van woorden, gebaren - meegebracht, gebruikt, verbruikt.
    De huisregels gevolgd. Gezegd. Gedaan. En steeds de hand gereikt.

    Ik werd verliefd op winters, een Weens septet en zomers.
    Op landkaarten, een bergdorp, een strand en een bed.
    Hield data in ere, verklaarde beloften voor onverbrekelijk,
    verafgoodde een Iets en was vroom voor een Niets

    (de opgevouwen krant, de koude as, het blaadje met een notitie),
    onbevreesd in het geloof, want dit bed was de kerk.

    Uit de blik op het meer ontstond mijn onuitputtelijk schilderen.
    Vanaf het balkon kon ik de volkeren, mijn buren, groeten.
    Bij het haardvuur, in veiligheid, had mijn haar zijn diepste kleur.
    Het bellen aan de deur was het alarm voor mijn vreugde.

    Niet jou heb ik verloren,
    maar de wereld.

    Ingeborg Bachmann
    vertaald door Paul Beers, tezamen met Isolde Quadflieg
    In: De Revisor. Querido, Amsterdam 1988
    oktober 22, 2025


  • 21 oktober

    Bekentenis
    Met zoveel liefde heb ik van je gehouden
    dat, nu ik bijna je vergeten ben,
    het zeggen van je naam mij is gebleven
    een liefkozing, waar ik dagen op kan leven.

    En dit is de liefste herinnering:
    hoe op het plein, een honinglied van linden,
    vanuit de schaduw over witte straten
    je aan kwam lopen. Speelse zomerwinden

    sloegen de gele zijde van je kleed
    tegen je ranke lichaam, en je ogen
    waren van heimwee raadselig verwijd.
    Hoevele zomers zijn sindsdien vervlogen.

    Met zoveel liefde toch heb ik van je gehouden
    dat, nu ik bijna je vergeten ben,
    het een liefkozing der lippen is gebleven
    je naam te zeggen als ik eenzaam ben.

    Hans Warren
    Uit: Verzamelde gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 2002.
    oktober 21, 2025


  • 20 oktober

    Dichterschap
    Is dit genoeg; een stuk of wat gedichten,
    Voor de rechtvaardiging van een bestaan
    In ‘t slecht vervullen van onnoozle plichten
    Om den te karigen broode allengs verdaan?

    En hierom zijn der op een doel gerichten
    Bevredigende dagen mij ontgaan;
    Hierom blijft mij slechts zelf en lot betichten
    In ‘t zicht van ‘t eind der onherkeerbre baan.

    Van al de dingen die ‘k droomen zocht-
    Erger: van alle, die ik wèl vermocht,
    Is, nu hun tijd voorbij is, niets geworden

    En ik kan zelfs niet, als mijn onbevreesd
    Erkennen mij verwijst naar de verdorden,
    Aanvoeren: maar mijn bloei is schoon geweest.

    J.C. Bloem
    Uit: Sintels,
    Uitgever: A.A.M. Stols, Den Haag
    oktober 20, 2025

Vorige pagina Volgende pagina

Designed with WordPress