10 februari
Het liefhebbende
Het stak de kop op, toen een onverwachte zonneschijn
over de meubels viel, die al vijfentwintig jaar in de
kamer stonden.
Nu aangeraakt door de gestrekte wijsvinger van het
licht.
Ternauwernood verdroegen zij deze zachte
liefdesverklaring.
Ze wilden alleen donker, waarin welwillendheid,
mededogen voor hun brand- en mottengaatjes,
hun slijtage, hun verschoten kale plek.
Zij stonden met de ruggen naar elkaar, want
wanneer, na hoeveel jaren,
houdt het blozen eindelijk op?
Haastig begon ik met het bevrijden van een kleine plant,
door alle omstandigheden taai overeind gebleven.
Beloonde zijn niet-willen-sterven met ruimte en mest,
verwijderde hier en daar een witte ziekte,
ging met hem in het zonlicht staan en
voelde de dunne scheidingslijn tussen mijn handelen en
de het-zich-voltrekken-processen in mijn lichaam,
in- en uitvoer van zuurstof en stikstof,
de chemie van het voelen,
het kunnen denken.
Midden in de streep zonlicht met de tuimelende stofjes,
zag ik in de spiegel, los van mededogen en
welwillendheid,
mijn eigen omhulsel al tamelijk aangetast
zacht staan te glanzen met oplichtende kleur,
als werd ik nu op mijn beurt opgemerkt door de zon
omdat ik al die tijd gebleven was en
blozen kon bij de eerste de beste blijk
van willekeurige warmte.
Wat was toch deze chemie van voelen?
Dat koken vloeien glijden,
dat stomen branden bonzen...
Het stopte nooit.
Mijn hart hield niet op.
Doch misschien heeft het na zoveel jaren
niets meer met hartszaken van doen.
Wellicht is het de blikkerende pitbull in mij.
Elma van Haren
Uit: Eskimoteren, De Harmonie, Amsterdam 2000
-
-
9 februari
Narrenwijsheid
Niets is, dat niet goddelijk is
daarom wil ik niets uitzonderen
ik geef geen namen
ik laat adel en schoonheid liggen, ik vraag niet naar recht
ik blijf niet staan bij slecht en lelijk
goed en deugdzaam gaan mij niet aan
de regen regent over bos en zee en over de stille velden
in de slootjes regent de regen, op de verre buitenwegen en op
het zinken platje van de keuken
in de vuile gootjes van de binnenstad regent de regen en de
regen regent op de keetjes van de burgerwacht
en op het trottoir met de natte krant, de uienschil en het
lucifertje
de gevangene in zijn cel hoort de regen, de moeder staat voor
het raam met haar kindje
de kelner staart in de regen door de spiegelruit voorbij het
kleintje koffie
de politicus loopt op en neer in zijn kamer en bedenkt wat hij
zeggen zal, maar hij blijft staan en luistert naar de regen
de regen regent over de schepen in de havens, over het station
en de emplacementen, over de fabrieken buiten de stad
en over het oude paard van de kolenwagen aan de overkant
zachtjes ritselt de regen in de graskantjes van de weg
hij leekt langs de planken van het fietsenhok en langs het
warme gezicht van het schoolmeisje
langs het gelaat van de oude man, die heeft liefgehad langs
de vale gezichten van de chauffeur en de journalist met zijn
potloodje
op de rode pannendaken der oude huizen, op de afdakjes en
de binnenplaatsen, in de steegjes en de hofjes en in de groene
grachten van de oude stad regent de regen
hij regent pokkeputjes in het kille strand, waar het seizoen
verkeken is
op de daken der hotels met de rood pluche kamertjes regent
hij, over de lege ambtenaarsbuurten en de bouwterreinen
op de tramremise en de kar van de bakker, op de werkman
van het sintelpad
en er is een diepe, zwarte toon gekomen in de dingen oud en
dromerig en vertrouwd
zo regent de regen
daarom geef ik geen namen
ik ga maar en ben
J.C. van Schagen
In: De Stem. Jaargang 2. Van Loghum Slaterus & Visser, Arnhem 1922
-
8 februari
Het maantje
De maan loopt door de wolken,
Zo zachtjes en zo snel;
De kindren komen buiten,
« 0, knaapje, ziet ge 't wel? »
Toen stak het kleine knaapje
Naar haar zijn armkens uit,
En wou het maantje hebben,
En weende en schreide luid.
Ik kan het u niet geven:
0, zo ge later, kind,
Ook 't levensheil woudt hebben,
Dat men op aard niet vindt,
Denk dan aan 't zilvren maantje,
Dat door de wolken loopt,
En dat hij veel moet lijden,
Die op 't onmooglijk hoopt.
Rosalie Loveling
Gedichten. J.B. Wolters, Groningen 1870
-
7 februari
De Vrouw aan het Venster
Nooit opent zich de poort. 't Raam is zoo hoog
Dat zij eerst de aarde ziet in wijde verte:
De stroom omarmt het bosch in blauwen boog;
Door 't groen gaan roode vogels, ranke herten.
Niets weet zij van het levensspel daartusschen;
Maar het moet schoon zijn, want zij mist het zeer.
Zij wil omhelzen, vindt niets om te kussen
Dan de' eigen schouder, rond en koel en teer.
J.J. Slauerhoff
Verzamelde gedichten, A.A.M. Stols, Den Haag 1947
-
6 februari
Zij vervoegt de klei
Scheuren trekt ze in de klei, demonteert haar meisjesjaren
onderzoekt gedachtekieren, kneedt woorden, bergt
geheimen op, kan er zomaar tussen vallen
– diep zijn de sporen die de vader met rechte hand
haar jeugd in ploegt, hij wijst haar het eerste groen
van wintertarwe, bij God, over de dijk komen alle lijnen samen
hij legt haar languit in de voren, van dichtbij ziet ze
barsten, lieveheersbeestjes ontvouwen vleugeltjes
van glas, zij wil op blote voeten over stoppelvelden rennen –
bij schemer is zij soms te zien met wilde eenden, ze glijden
samen door de klei, glippen sloten in, zoeken bodems af in kopstand
waar de boer onafgebroken zijn lijnen trekt, waggelt
ze achter hem aan, vindt koppig zijn grote hand terug
kneedt de klei in nieuwe vormen.
* Bij boerderij in de Hoekse Waard, voor G.B.
Aly Freije
Door het vanggat, In de Knipscheer, Haarlem 2016
-
5 februari
Radeloze Rinus heeft verdomd
als het niet waar is weer een hele
expositie bij elkaar geverfd een hele
zaal met rood en groen en recht en rond
en gevoelig gekweld bezeten.
En daar wij van Rinus’ leven weten
dat het een kosmische strijd om de kleur
en de vorm en de toets en de verfhuid
de blabla de bloblo de blauwblauw is,
dat ieder stilleven een snauw
van wanhoop, ieder portret een sterfhuis
van smart is, een kreet en een aanklacht,
zijn wij vóór we de museale aandacht
voor Rinus vragen, en vóór
onze ochtend-editie ter perse ging
gaan kijken of, nu hij nog leeft,
Rinus wel beide oren heeft.
En ja hoor.
Alain Teister
De huisgod spreekt, Querido, Amsterdam 1964
-
4 februari
De voetstappen die ik achterlaat
De
voetstappen
die ik achterlaat
zijn bezit
van de grond.
Mijn leven
is van het
verleden.
Mijn woord
is in de monden
van anderen.
Ik
ben niet.
Ik
was.
Zo
is het
met alle dingen.
Jan Arends
Lunchpauzegedichten Bezige Bij, Amsterdam 1980
-
3 februari
Een magistrale stralende zon
Verdwaald in de duisternis
Is hij terechtgekomen in
Een soort woestenij die
Met dopheide en kleine
Heesters is begroeid &
Aankloppend bij een
Afgelegen boerderij
Waar een flauw lichtje
Hem doet vermoeden
Dat er iets van leven
In aanwezig moet zijn
Wordt hem opengedaan
Door een kleine kale
Scheelogige monnik
Die hem gastvrij en
Onderdanig ontvangt
In zijn stemmig blauw-
Geschilderd vertrek
Dat onder het schenken
Van een chinees kopje
Thee door hem plechtig
Wordt genoemd DE HAL
DER KENNIS die slechts
Toegankelijk is voor
Zij die door de
Stilte zijn gegaan &
Zijn tranen nauwelijks
De baas kunnend weet
Hij terstond dat
Deze oude magiër
Zijn langgezochte
Leermeester moet zijn
Die op zijn weg
Naar het door hem
Begeerde MIDDELPUNT
Zijn toeverlaat zal
Zijn in moeilijke uren &
Als hij na een gerief-
Lijke nachtrust bij
Het kraaien van de haan
Het huisje van zijn dromen
De rug toekeert om met
Zijn zwerftocht verder
Te gaan is er zoveel
Gebeurd dat in tegen-
Stelling met die avond
Tevoren hij gevuld is
Met een nieuwe lading
Levenskracht die hem
Doet jubelen over de
Vol met kwinkelerende
Vogels zijnde Natuur
Die goudgeel beschenen
Wordt door een magi-
Strale stralende ZON
Johnny van Doorn
De heilige huichelaar, De Bezige BIJ, Amsterdam, 1968
-
2 februari
De zwerver
Ik ben vermoeid. Toch ben ik nog gestegen
Tot op den heuvel in het late licht,
En vóór mij kronkelen de duistre wegen
Van 't avonddorp, dat daar verlaten ligt.
Is nu de wereld zooveel eeuwen ouder?
Alles lijkt mij zoo vreemd en toch bekend.
Ik mis alleen een vriendelijken schouder,
Een lichaam, dat mijn lust voelt en herkent.
Ik ben alleen voor gansch mijn verder leven,
Er is niets meer dat me aan deze aarde bindt.
En toch, ik voel mijn hart onstuimig beven:
Dààr staat een boom, dààr speelde ik eens als kind.
Jan van Nijlen
In: Helikon Boosten & Stols, Maastricht/ Brussel 1931
-
1 februari
De moerbeitoppen ruischten.
‘De moerbeitoppen ruischten;’
God ging voorbij;
Neen, niet voorbij, hij toefde;
Hij wist wat ik behoefde,
En sprak tot mij;
Sprak tot mij in den stillen,
Den stillen nacht;
Gedachten, die mij kwelden,
Vervolgden en ontstelden,
Verdreef hij zacht.
Hij liet zijn vrede dalen
Op ziel en zin;
'k Voelde in zijn vaderarmen
Mij koestren en beschermen,
En sluimerde in.
Den morgen, die mij wekte
Begroette ik blij.
Ik had zoo zacht geslapen,
En Gij, mijn Schild en Wapen,
Waart nog nabij.
Nicolaas Beets
Gedichten. A.W. Sijthoff, Leiden 1904