2 maart
Heftan tattat
Zundag weer verjöarsviseet
en iej weet wa hoo’t dat geet:
Herman hef zoo zeek ewes,
Graads mut ok weer oonder t mes,
Trui hebt z’ alns a vort-enomn,
Kloas is oet de tied ekomn,
Leida hef zon pien in t lief,
oo, dat aarme, aarme wief.
En hoo is t dan noe met Bernard?
Heftan tattat! Heftan tattat!
Hee har völs te völ patat had
en doo hef e t dus an t hart had.
Dat genöal, oo man oo man,
doodzeek goa’j op hoes op an
Willem Wilmink
Uit: Verzamelde liedjes en gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 2006
-
-
1 maart
Spiegelgedicht
Mijn spiegel is beslagen
van jouw adem jouw welbehagen
zie ik mijzelf niet meer.
dat je bent afgereisd
ik zal het kunnen dragen,
in de ovalen lijst
zie ik mijzelf niet meer
alleen - ben ik met
het blauwgestreept onopgemaakte bed
een wat vergaan maar goedgelijkend
dubbelportret.
Wilfred Smit
Uit: Franje, Polak en Van Gennep, Amsterdam 1963
-
28 februari
Dubbeldruk
De vorm van je gezicht
is ook het kijken ernaar
alsof het er door m'n
blik even dubbel is.
Ik wil het eerst voor
me houden en toch zeg
ik het. De kat golft
langs je benen. Ineens
trek je heel vlug het
linnen van tafel en pas
dan zeg ik dat ook de
sluier van je gezicht is,
je wangen zijn naakt, je
voorhoofd, je mond, niet
je oren, die zitten onder
je haar. Je bergt het
linnen op en nu zeg je
zelf iets. Ik versta het
niet. ‘Hè?’ vraag ik.
‘Ik heb het tegen de kat.’
K. Schippers
Uit: Tellen en wegen, Querido, Amsterdam, 2011
-
27 februari
De vijf zinnen
Er hangt een minuscule geur van thee.
De wereld kan wat mij betreft vergaan
als ik in deze reuk mag blijven staan
en aan mijn grootmoeder denken, of nee,
alleen bij haar stilstaan als bij de zee
die mij toeruist uit deze schelp vandaan,
die (Stille Zuidzee of Grote Oceaan)
China en Chili scheidt, thee en maté,
de dikke tegenvoeter en de dunne.
Het zoute zit aan oma's wereldbol,
ik voel de kou van lege poolijskappen
(weggooien - nee, dat zal ik wel niet kunnen),
ik zie: Stan Laurel huilt. We schieten vol.
Zachtjes rijdt de piano van de trappen.
Jan Kuiper
Uit: De Revisor, jaargang 25, Querido, Amsterdam 1998
-
26 februari
Straat
De sneeuw is al weken uit de tuin
in deze lief te hebben straat
waar niemand over praat
de stoepen liggen breeduit
onder een vogelrijk geluid
Het blond bevlechte meisje
danst getallen op de tegels
de rode kater heeft zich
klaargezet voor kopjes
een oude vrouw brengt vingers
en streelt van kop tot staart
In deze lief te hebben straat
spelen mieren verstoppertje
tussen zelfgebouwde bergen
De kort gemaaide kleuter
fietst uit de armen van zijn moeder
woensdagmiddag loopt warm
Peter M. van der Linden
Uit: Zendag, Uitgeverij De Contrabas, Utrecht/Leeuwarden, 2009
-
25 februari
Zelfportret
Ik ben voornamelijk van geen belang.
Ik ben een zachte wang,
en ik ben mijn eigen lippen.
Meestal zonder gezang,
uitblinkend in knorgeluiden
voor enk'le fijne luiden
die mij ter harte gaan.
Ik ben meer kuiken dan haan.
En: ik ben mijn eigen lippen,
waarmee ik uit eigenbelang
mij kus op mijn eigen wang.
Alain Teister
Uit: de huisgod spreekt, Querido Amsterdam 1964
-
24 februari
HET KIND DAT WIJ WAREN
Wij leven 't heerlikst in ons vèrst verleden:
de rand van het domein van ons geheugen,
de leugen van de kindertijd, de leugen
van wat wij zouden doen en nimmer deden.
Tijd van tinnen soldaatjes en gebeden,
van moeder's nachtzoen en parfums in vleugen,
zuiverste bron van weemoed en verheugen,
verwondering en teerste vriendlikheden.
Het is het liefst portret aan onze wanden,
dit kind in diepe schoot of wijde handen,
met reeds die donkre blik van vreemd wantrouwen.
't Eenzame, kleine kind, zelf langverdwenen,
dat wij zo fel en reedloos soms bewenen,
tussen de dode heren en mevrouwen.
E. du Perron
Parlando, Verzamelde gedichten, A.A.M. Stols, Rijswijk, 1941
-
23 februari
Impasse
Wij stonden in de keuken, zij en ik.
Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag.
Maar omdat ik mij schaamde voor de vraag
wachtte ik het onbewaakte ogenblik.
Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf,
en de kans hebbend die ik hebben wou
dat zij onvoorbereid antwoorden zou,
vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf.
Juist vangt de fluitketel te fluiten aan.
Weer is dit leven vreemd als in een trein
te ontwaken en in ander land te zijn.
En zij antwoordt, terwijl zij langzaam-aan
het drup'lend water op de koffie giet
en de damp geur wordt: een nieuw bruiloftslied.
Martinus Nijhoff
Verzamelde gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 2001
-
22 februari
Ver heen
Mocht ik in het hart van het holst
van donkerste dagen te lijf gaan, achter
al het uiterwaardse, een stuk of wat
verlaten kusten onder razende luchten
waar albatrossen op hun wieken naar
andere planeten worden weggeblazen -
graag zou ik boven lege oceanen regen zijn
op reusachtige hoeven, zinnentuimel van
tempeest, het stormend paard dat louter
water is, uiteenvalt in geschuimbek -
zocht ik bij voorkeur echter diepten
die geen daglicht velen, omtrent een
steenworp van d'onoorbaar gloeiende
kern; daar zal betijen wat mij jaagt.
Anneke Brassinga
Uit: Ontij, De Bezige Bij, Amsterdam 2010.
-
21 februari
Op stap met Edvard Munch
Wanneer je vanuit de andere wereld
in één van de lichtpaleizen komt,
dan zie je hoe de gedaantes van de mensen vibreren.
Ze krimpen en zwellen, ze gloeien en doven
In een paar seconden.
Hun gezichten zijn slechts bleke vlekken.
De kleuren variëren van donkerblauw tot zwart
en vloeien in elkaar over.
Spiegel weerkaatst spiegel,
zodat de grenzen verdwenen zijn.
Het is het bal van de niet-doden,
spookachtig zijn ze al.
Wanneer je in één van de lichtpaleizen bent,
temidden van de geweldige sociale omgangsvormen,
dan zijn deze gedaantes
vele blauwe plekken
op het prachtige en begeerlijke
lichaam van een geliefde, waar je
heel voorzichtig je vinger op moet leggen.
Elma van Haren
De reis naar het welkom geheten
De Harmonie, Amsterdam 1988