11 april
Ik val
Ik val
en denk al vallend na.
Zal ik nog iets roepen, iets van het allergrootst belang
dat onweerstaanbaar zal weerkaatsen
tegen een overkant?
En zal ik nog iets meeslepen in mijn val?
Ruw en onverwachts?
Of val ik nergens langs?
Ik kijk om mij heen.
Een bloem valt met mij mee. Wat sympathiek!
Een roos?
Ik kan haar niet goed zien.
De zon gaat op,
de grond verschijnt.
Nadenkend val ik verder
Toon Tellegen
Uit: Er ligt een appel op een schaal, Querido, Amsterdam 1999
-
-
10 april
Nachtvlinders
Die motten van de nacht, zijn ze volleerd
in bloemen zoeken die 's nachts opengaan?
De rups heeft zich voor twee tegoed gedaan.
De vlinder vast vaak, in zichzelf gekeerd.
Ze zijn niet zo frivool als men beweert.
Met saaie, vaal verschoten mantels aan
willen ze aldoor vliegen naar de maan.
In zonlicht worden ze tot stof verteerd.
Voor wie de nacht gekozen heeft, is licht
een raadselbol waarin hij op wil branden.
Terwijl wij schemeren, vliegt hij gericht
naar vuur of lamp. Ik ga op vlinderjacht
- een vederlicht gefladder in mijn handen -
en stuur hem veilig naar zijn zwarte nacht.
Patty Scholten
In tijdschrift De Tweede Ronde. Jaargang 21.
G.A. van Oorschot, Amsterdam 2000
-
9 april
Op de snelweg
wij zagen een hond op een terras
het was ochtend en koud, toch
was de deur achter hem
half geopend, naast het huis
stonden dennen en
aan de sneeuw op hun takken
kon je nog zien hoe
de wind had gehaaid
het was zondag, een ochtend
uit zijn en ons leven
hij stond er zo stil
als een paard in de wei
voorbij te gaan
wij hebben een uur
of nog langer gezwegen
toen nam ik papier en ik schreef
er stond een hond op een terras
het was ochtend en koud
en wij snelden voorbij
op de wegen
Miriam van Hee
Uit: De bramenpluk, Bezige Bij, 2002
-
8 april
trammelant
er staat geen reclame op de tram
maar lichamen zonder hoofd
misschien is het niet slim
om in te stappen
als de tram al met een schok
in beweging komt, de bocht om vliegt
moet ik nog kiezen voor een stoel
die met de graffititekens dan maar
straks gaan de zwarte knopjes stuk
dan moet je mee met de smalle bestuurster
heen en weer, heen en weer, de hele dag lang
dan wen je wel aan je eigen tramstoel en
aan de andere reizigers
met wie je, achteraf, kunt praten
als met niemand anders
over die ene dag, die dag in de tram
Ilse Starkenburg
Uit: Afspraak met een eiland, Arbeiderspers, Amsterdam 1995
-
7 april
LASTIGE MAN
Als iemand met een klapper door een deur stapt
en ‘Mevrouw Von der Möhlen’ aankondigt,
met een vraagteken erin, sta ik op. Tegenwoordig.
Dat is een van de dingen die je leert in een ziekenhuis.
Je kunt maar beter getrouwd zijn, ook als je het niet bent.
Ik reageer ook op varianten, want dat vraagteken
is er niet voor niets, het is een lastige naam.
Van Meulen. De Molen. Moelen. Bij alles spring ik
in het gelid. Soms noemt iemand me samenvattend
Frankie. Net zo makkelijk. Aan ‘Sterkte, mevrouw Starik’
probeer ik uit alle macht te wennen.
Vrouwkje Tuinman
Gevonden op: https://meandermagazine.nl/2019/10/vrouwkje-tuinman-lijfrente/
-
6 april
Voor Ari
Lieve Ari
Wees niet bang
De wereld is rond
en dat istie al lang
De mensen zijn goed
De mensen zijn slecht
Maar ze gaan allen
dezelfde weg
Hoe langer je leeft
hoe korter het duurt
Je komt uit het water
en gaat door het vuur
Daarom lieve Ari
Wees niet bang
De wereld draait rond
en dat doettie nog lang
Jules Deelder
Uit: Renaissance, De Bezige Bij, Amsterdam 1994
-
5 april
DRAAK
Er vliegt een draak langs het raam
altijd als ik kwaad of bedroefd lig te huilen
op mijn bed. Vlammen slaan uit zijn
verschrikkelijke muil vol zwarte tanden,
er komt een rook achter hem aan
en ik doe het raam open.
O Draak zeg ik kom bij mij er is geen gevaar.
Hij komt mijn kamer ingekropen met zijn
vreselijke klauwen ieder zo groot als een hand
en wij omhelzen elkaar en dansen de dans
die Draken dansen in tijden van oorlog en hij
schiet er vandoor, een brand in de nacht en ik kijk
hem na, misschien dat ik weer naar beneden ga.
Eva Gerlach
Uit: Hee meneer Eland, Querido, Amsterdam 1999.
-
4 april
Het Tuinhuis
De lentemiddag komt met een groen licht
Over de daken, met toeters en bellen,
U altegader in dit huis vertellen
Dat dromen niet voor praktijk zijn gezwicht.
Wij samen, doe het zelvende rebellen,
Verbouwen ieder schuurtje tot gedicht
Om niet, als u, Muze, in katzwijm ligt
Het zonder onderdak te moeten stellen.
Hier, in de achtertuin, snurkten de zagen
En klopten hamers hard zonder sarcasme
Op de planken die hoofd en wereld schagen -
Zij zuchtten, hijgden, zweetten bij het klussen,
Niet uit vermoeidheid, maar uit enthousiasme
Voor bouwen en de ruimtezee daartussen.
Erik Bindervoet
Uit: Het vuil van de schoonheid,
De Harmonie, Amsterdam 2015.
-
3 april
Iedereen heeft zo z’n voorkeuren
Neem van de dingen waarvan je niet zo houdt in ieder geval
een schepje. De een houdt meer van doodbaars dan van levende
kreeft, de ander is net dol op woordlof of krolse sla-uit-de weg.
Menslief, je hoeft niet alles met je ogen en oren te verslinden,
maar aan je kieskeurigheid zijn hoffelijk gesproken grenzen.
Je kunt niet bijna alles onaangeroerd laten afnemen.
Neem dus ook dingen ter harte waarop je niet zo dol bent.
Er zijn natuurlijk onderdelen die je echt niet hoeft te slikken:
graten, vellen, botjes, zeentjes, knarretjes van gedachte-
gangen, steeltjes, pitten en steentjes van taalvruchten.
Het leven smakelijker maken en daaraan werken, aan jezelf,
aan je eigen leven, en dat van anderen. Het ogenblijk meemaken
en er volmondig van genieten en het weer laten gaan.
Boordevolletjes fijn samenzijn. Geen vers nippertje afslaan.
Vitaal is het bewustzijn van de ondoorgrondelijkheid.
Mark van Tongele
Uit: Zonnewater. Uitgeverij P, Leuven 2025.
-
2 april
Mijn Lief
Licht en wind verzamelen zich weer
tot een wijde blanke morgenstond
en het ademen gaat op en neer
van de horizont tot aan de horizont.
Met haar lichaam dat uit glans bestaat
loopt mijn lief te baden in het licht,
deinend op de zachte regelmaat
van haar schreden in een evenwicht
aan de rand van tijd en eeuwigheid.
Alle raadsels openen hun grond
in haar vorm die door de morgen schrijdt,
in de glimlach om haar warme mond.
Verrukking
Het leven in haar lijf geschiedt
als waaien dat niet stil kan staan,
als stralenbundels van de maan,
die men tot op de grond doorziet
en nimmer achterhalen kan.
Haar haren roepen in het licht
een golfslag van verrukking los,
zij zamelt in haar handenspan
goudkorrels vuur en haar gezicht
onder de blonde harentros
verliest zijn sterfelijke staat,
wanneer zij door de morgen gaat.
Ik kan haar niet in mij verschuilen,
de woorden breken in mijn mond,
mijn ogen glimlachen en huilen
niet te weerhouden, zonder grond.
Maurits Mok
Uit: Stormen en stilten, Meulenhoff, Amsterdam 1956