21 april
verjaardag Paolo
(Immortellen)
XLIX
Wel menigmaal zei de melkboer
Des morgens tot haar meid:
‘De stoep is weer nat.’ Och, hij wist niet
Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.
Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
Dat was minder; - maar dat zij
Er hoegenaamd niets van vermoedde,
Dat was wel hard voor mij.
Piet Paaltjens
François HaverSchmidt, Snikken en grimlachjes. H.A.M. Roelants, Schiedam
-
-
20 april
Knuffelkoeien
Goeie boeren, die hun vee verwennen
Wat ik elke koe van harte gun
Kun je heel gemakkelijk herkennen
Aan hun glunderende runderen
Kees Torn
In: De Tweede Ronde. Jaargang 28. Mouria, Amsterdam 2007
-
19 april
-
18 april
De laatste jaren van Rudi
We kwamen in zijn kabouterhuis
aan de ronde keukentafel
regelmatig tot goede gezwijgen.
Dat de dingen de dingen zijn
de wereld de wereld,
er niets is om naar terug te keren,
nergens iets achter ligt-
zwijgstof volop, altijd.
Alleen als ik dringend iets kwijt moest,
verbrak ik even het zwijgen:
dat het gesneeuwd had, bijvoorbeeld,
als het die nacht gesneeuwd had.
‘Die slag is voor jou,’ zei hij dan.
Vervolgens werd er weer gezwegen.
Over problemen dit keer
die er wel en die er niet zijn,
en dat die dezelfde zijn.
Zo goed als Rudi kon zwijgen,
zo zweeg er op aarde nooit een.
Anton Korteweg
Uit: Nooit eens lekker nergens. Meulenhoff, Amsterdam 1999.
-
17 april
-
16 april
Alpejagerslied
Paul van Ostaijen
Uit: Gedichten (ed. Gaston Burssens). De Sikkel, Antwerpen 1935
-
15 april
Rubens' vrouwen
Een vrouwenfauna van titanen,
naakt als rommelende tonnen.
Ze nestelen in platgelegen legers,
slapen gapend met hun kraaimond open,
de pupillen zijn naar binnen gevlucht
en dringen in het binnenste der klieren,
waaruit het gist hun bloed in sijpelt.
Dochteren van de barok. Hun deeg rijst
in de trog, de baden dampen, wijnen blozen,
biggenwolkjes in galop de hemel langs,
bazuinen brullen het lichaamsalarm.
O pompoenenplompe, o overgrote
en door het afgeworpen gewaad dubbeldikke,
en door de heftige pose driedubbele
vette gerechten der liefde!
Hun magere zusters zijn vroeger opgestaan,
voor op het schilderij de dageraad doorbrak.
En niemand heeft ze in ganzenpas zien lopen,
over de lege achterzijde van het linnen.
Ballingen van de stijl. De ribben te tellen,
een vogelnatuur in handen en voeten.
Spitse schouders die hun vlucht moeten dragen.
De dertiende eeuw had hun een gouden fond gegeven.
De twintigste had hun een zilveren scherm gegeven.
Die zeventiende heeft platte wezens niets te bieden.
Hier immers staat zelfs de hemel bol,
bol zijn de engelen, bol is de god -
de besnorde Phoebus die op zijn zwetend
ros de ziedende alkoof in rijdt.
Wisława Szymborska
Vertaald door Gerard Rasch
Gevonden op: https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199701_01/_gid001199701_01_0011.php
-
14 april
herwilderen
ik heb mezelf laten gaan
alle haren laten groeien, bloeden
op de natte modder
naakt wentelen in het lange gras
in een beek ontving ik vissen in mijn eileiders
paalwormen in mijn oogwit, oneindig
uitgestrekt op mijn buik in het vlakke veld
specht in mijn oor, neus in het mos
geen wekker meer zetten
geen blad voor de mond nemen
geen hekken of prikkeldraad
eten wat het bos schaft
eerst de pissebedden, dan de kraaien voor het zachte
toegankelijke vlees, wolven kauwen de hardere spieren
de gezette botten, het kwik uit mijn kiezen
dat me nog van andere dieren onderscheidt
Annet Zaagsma
Uit: In elk klokhuis schuilt cyanide,
Opwenteling, Eindhoven, 2025
-
13 april
Zo rauw
gaat het toe op die rampzalige terreinen, waar
de geraffineerde gekkin spreekt tot de kruidenier:
Dokter, als mijn geliefde komt zal ik de teergeworden kersetakken breken en de wimpels verbranden van
mijn wispelturigheid. O als hij komt, die onder
hevig is aan mijn bevalligheid en zich mijn zinnen
ontbinden als loze leliebladeren, zal ik betalen overvloediger dan bloeiend ik, want God weet dat geld
is als zaad en het is beter te geven dan te ontvangen...
(Maar in een bel boven zijn kop verschijnt het: lul
maar raak) en zij, nog razender: een oude merrie heeft
een trap gekregen waarvan ik niet genezen ben, ik heb
het zelf gelezen, waar Aristoteles van Plato schrijft,
en hij: dat kan wel zijn maar ik heb iets gegeven en
niets terug gekregen en zij: mijn vader! en hij: mijn
geld! en zij getroubleerd: ik zweer u, als de maan
week is en heel wit zal ik het geven: ik, toch zelf een wassende maan, een zwellende witkalfslederen
beurs vol pure ongerechtigheid, dat is dus afgesproken?
Dus klimt hij op zijn schitterende schat, zijn bakfiets-
dier dat hem terugvoert in het naburig proper dorp, het hoofd vol geuren van vuilnis, koninklijke stallen en
Hasekamps onvolprezen oude genever. Maar de maanden zich vervullen, de verloofdes putten zich uit, de
lege flessen hopen zich op en sneller steeds zich alles ledigt, vermindert en ontwijkt: in liefde en liefde in
beestachtige grenzeloze onverschilligheid
Fritzi ten Harmsen van der Beek
Uit: Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 1966
-
12 april
Het slap gepraat
Te huur: die mededeling staat me tegen
Is niet aan wie nog huur stort in dit land
Een steekje los? Zo’n klote-speculant
Zit heus niet om wat extraatjes verlegen
Geef mij dus gauw een redelijk gelegen,
Genadig weggeschonken krakerspand,
En vrienden, nooit zo stoned dan als ze, omrand
Door bedspiralen, op het dak bewegen
Alles is gratis voor wie geld niet acht
De glasruit houdt zijn winkelwaar verborgen
Tot er, opeens, een grote kei door gaat
Dit heb ik nota bene zelf bedacht
Ik voel me, vrij van miezerige zorgen,
Domweg gelukkig met mijn slap gepraat
Gerrit Komrij
Gevonden op: https://www.moorsmagazine.com/onzinbak/dappervariaties/