• 21 april
    verjaardag Paolo

    (Immortellen)

    XLIX

    Wel menigmaal zei de melkboer
    Des morgens tot haar meid:
    ‘De stoep is weer nat.’ Och, hij wist niet
    Dat er 's nachts op die stoep was geschreid.

    Nu, dat hij en de meid het niet wisten,
    Dat was minder; - maar dat zij
    Er hoegenaamd niets van vermoedde,
    Dat was wel hard voor mij.

    Piet Paaltjens

    François HaverSchmidt, Snikken en grimlachjes. H.A.M. Roelants, Schiedam
    april 21, 2025

  • 20 april

    Knuffelkoeien

    Goeie boeren, die hun vee verwennen
    Wat ik elke koe van harte gun
    Kun je heel gemakkelijk herkennen
    Aan hun glunderende runderen

    Kees Torn
    In: De Tweede Ronde. Jaargang 28. Mouria, Amsterdam 2007
    april 20, 2025


  • 19 april
    april 19, 2025


  • 18 april

    De laatste jaren van Rudi

    We kwamen in zijn kabouterhuis
    aan de ronde keukentafel
    regelmatig tot goede gezwijgen.

    Dat de dingen de dingen zijn
    de wereld de wereld,
    er niets is om naar terug te keren,
    nergens iets achter ligt-
    zwijgstof volop, altijd.

    Alleen als ik dringend iets kwijt moest,
    verbrak ik even het zwijgen:
    dat het gesneeuwd had, bijvoorbeeld,
    als het die nacht gesneeuwd had.
    ‘Die slag is voor jou,’ zei hij dan.

    Vervolgens werd er weer gezwegen.
    Over problemen dit keer
    die er wel en die er niet zijn,
    en dat die dezelfde zijn.

    Zo goed als Rudi kon zwijgen,
    zo zweeg er op aarde nooit een.

    Anton Korteweg
    Uit: Nooit eens lekker nergens. Meulenhoff, Amsterdam 1999.
    april 18, 2025

  • 17 april
    april 17, 2025

  • 16 april

    Alpejagerslied



    Paul van Ostaijen
    Uit: Gedichten (ed. Gaston Burssens). De Sikkel, Antwerpen 1935
    april 16, 2025


  • 15 april

    Rubens' vrouwen

    Een vrouwenfauna van titanen,
    naakt als rommelende tonnen.
    Ze nestelen in platgelegen legers,
    slapen gapend met hun kraaimond open,
    de pupillen zijn naar binnen gevlucht
    en dringen in het binnenste der klieren,
    waaruit het gist hun bloed in sijpelt.

    Dochteren van de barok. Hun deeg rijst
    in de trog, de baden dampen, wijnen blozen,
    biggenwolkjes in galop de hemel langs,
    bazuinen brullen het lichaamsalarm.

    O pompoenenplompe, o overgrote
    en door het afgeworpen gewaad dubbeldikke,
    en door de heftige pose driedubbele
    vette gerechten der liefde!

    Hun magere zusters zijn vroeger opgestaan,
    voor op het schilderij de dageraad doorbrak.
    En niemand heeft ze in ganzenpas zien lopen,
    over de lege achterzijde van het linnen.

    Ballingen van de stijl. De ribben te tellen,
    een vogelnatuur in handen en voeten.
    Spitse schouders die hun vlucht moeten dragen.

    De dertiende eeuw had hun een gouden fond gegeven.
    De twintigste had hun een zilveren scherm gegeven.
    Die zeventiende heeft platte wezens niets te bieden.

    Hier immers staat zelfs de hemel bol,
    bol zijn de engelen, bol is de god -
    de besnorde Phoebus die op zijn zwetend
    ros de ziedende alkoof in rijdt.

    Wisława Szymborska

    Vertaald door Gerard Rasch
    Gevonden op: https://www.dbnl.org/tekst/_gid001199701_01/_gid001199701_01_0011.php
    april 15, 2025


  • 14 april

    herwilderen

    ik heb mezelf laten gaan
    alle haren laten groeien, bloeden
    op de natte modder
    naakt wentelen in het lange gras

    in een beek ontving ik vissen in mijn eileiders
    paalwormen in mijn oogwit, oneindig
    uitgestrekt op mijn buik in het vlakke veld
    specht in mijn oor, neus in het mos

    geen wekker meer zetten
    geen blad voor de mond nemen
    geen hekken of prikkeldraad
    eten wat het bos schaft

    eerst de pissebedden, dan de kraaien voor het zachte
    toegankelijke vlees, wolven kauwen de hardere spieren
    de gezette botten, het kwik uit mijn kiezen
    dat me nog van andere dieren onderscheidt

    Annet Zaagsma

    Uit: In elk klokhuis schuilt cyanide,
    Opwenteling, Eindhoven, 2025

    april 14, 2025


  • 13 april

    Zo rauw

    gaat het toe op die rampzalige terreinen, waar
    de geraffineerde gekkin spreekt tot de kruidenier:

    Dokter, als mijn geliefde komt zal ik de teergeworden kersetakken breken en de wimpels verbranden van

    mijn wispelturigheid. O als hij komt, die onder
    hevig is aan mijn bevalligheid en zich mijn zinnen

    ontbinden als loze leliebladeren, zal ik betalen overvloediger dan bloeiend ik, want God weet dat geld

    is als zaad en het is beter te geven dan te ontvangen...
    (Maar in een bel boven zijn kop verschijnt het: lul

    maar raak) en zij, nog razender: een oude merrie heeft
    een trap gekregen waarvan ik niet genezen ben, ik heb

    het zelf gelezen, waar Aristoteles van Plato schrijft,
    en hij: dat kan wel zijn maar ik heb iets gegeven en

    niets terug gekregen en zij: mijn vader! en hij: mijn
    geld! en zij getroubleerd: ik zweer u, als de maan

    week is en heel wit zal ik het geven: ik, toch zelf een wassende maan, een zwellende witkalfslederen

    beurs vol pure ongerechtigheid, dat is dus afgesproken?
    Dus klimt hij op zijn schitterende schat, zijn bakfiets-

    dier dat hem terugvoert in het naburig proper dorp, het hoofd vol geuren van vuilnis, koninklijke stallen en

    Hasekamps onvolprezen oude genever. Maar de maanden zich vervullen, de verloofdes putten zich uit, de

    lege flessen hopen zich op en sneller steeds zich alles ledigt, vermindert en ontwijkt: in liefde en liefde in

    beestachtige grenzeloze onverschilligheid

    Fritzi ten Harmsen van der Beek

    Uit: Geachte Muizenpoot en achttien andere gedichten. De Bezige Bij, Amsterdam 1966
    april 13, 2025


  • 12 april

    Het slap gepraat

    Te huur: die mededeling staat me tegen
    Is niet aan wie nog huur stort in dit land
    Een steekje los? Zo’n klote-speculant
    Zit heus niet om wat extraatjes verlegen

    Geef mij dus gauw een redelijk gelegen,
    Genadig weggeschonken krakerspand,
    En vrienden, nooit zo stoned dan als ze, omrand
    Door bedspiralen, op het dak bewegen

    Alles is gratis voor wie geld niet acht
    De glasruit houdt zijn winkelwaar verborgen
    Tot er, opeens, een grote kei door gaat

    Dit heb ik nota bene zelf bedacht
    Ik voel me, vrij van miezerige zorgen,
    Domweg gelukkig met mijn slap gepraat

    Gerrit Komrij

    Gevonden op: https://www.moorsmagazine.com/onzinbak/dappervariaties/
    april 12, 2025

Vorige pagina Volgende pagina

Designed with WordPress