1 mei
Mei (fragment)
Een nieuwe lente en een nieuw geluid:
Ik wil dat dit lied klinkt als het gefluit,
Dat ik vaak hoorde voor een zomernacht
In een oud stadje, langs de watergracht -
In huis was 't donker, maar de stille straat
Vergaarde schemer, aan de lucht blonk laat
Nog licht, er viel een gouden blanke schijn
Over de gevels in mijn raamkozijn.
Dan blies een jongen als een orgelpijp,
De klanken schudden in de lucht zoo rijp
Als jonge kersen, wen een lentewind
In 't boschje opgaat en zijn reis begint.
Hij dwaald' over de bruggen, op den wal
Van 't water, langzaam gaande, overal
Als 'n jonge vogel fluitend, onbewust
Van eigen blijheid om de avondrust.
En menig moe man, die zijn avondmaal
Nam, luisterde, als naar een oud verhaal,
Glimlachend, en een hand die 't venster sloot,
Talmde een pooze wijl de jongen floot.
Zóó wil ik dat dit lied klinkt, er is één
Die ik wèl wenschte, dat mijn stem bescheen
Met meer dan lachen van haar zachte oog...
Heil, heil, ik voel hier handen en den weeken boog
Van haren arm. Een koepel van blind licht,
Mild nevelend, omgeeft mijn aangezicht,
Mijn stem brandt in mij als de geele vlam
Van gas in glazen kooi, een eikestam
Breekt uit in twijgen, en jong loover spruit
Naar buiten: Hoort, er gaat een nieuw geluid:
Een jonge veldheer staat, in 't blauw en goud
Roept aan de holle poort een luid heraut.
(...)
Herman Gorter
Verzamelde werken. Deel 1, C.A.J. van Dishoeck, Bussum / Em. Querido, Amsterdam 1948
-
-
30 april
Warmte, een woonplaats
Liefde en het besef
van liefde daartussen bouwen
mensen een warmende woonplaats
en sprekende zeggen ze: liefste
open je ogen nu langzaam en eet
ik heb het licht voor je aangesneden
of: open je ogen niet drink nu het donker
ik heb de nacht voor je omgekocht
want liefde en het besef
van liefde daaraan ontsteken
ogen en stemmen hun licht
daarin ontbloeien de lippen
daaruit ontstaat het gedicht.
Ellen Warmond
In: De Nieuwe Stem. Jaargang 15, Nimo, Monnickendam 1960
-
29 april
Zone
Dit is het laatste. De totem is opgespeld. Ik heb de stad nu gezien.
De honger is gestild. Ik heb de keizer niet begrepen en ben de
zoon kwijt. De zon komt bijna op. I'm scattered like newspapers
all over the street. En ik weet niet of ik dorst heb.
De nachten heb ik doorgebracht met de aanvoerder. Er was een
bijl, bot verraad en ik had al geen nagels meer. We kleden ons niet
uit. I'm avoiding the corners. Boven de donkerblauwe lucht hangt
de vogel. Scherp vizier houdt ons in zicht.
Wie kan het zeggen. And this city is too small for two. Wie kan het
zeggen en dan niet te zwijgen ver de blauwe pijn. over de blues,
een roestige schaar op je tong.
Dit is het laatste. het regent en ik hoor de rivier al nachtenlang
zwellen. Hier kan ik zwemmen. Er druipt nog steeds bloed. Too
many teams all over this town. In water rolt de dageraad tevoor-
schijn.
Albertina Soepboer
Uit: Zone, uitgeverij Contact, Amsterdam 2005
-
28 april
Voor het zwermen
't Was avond toen de mieren vleugels kregen.
In golven kropen ze uit de grond omhoog
en tegen het muurtje op; onwennig bleven
ze daar in het rond bewegen. Later vloog
een enkeling soms tot de markies, maar waagde
de vlucht niet verder, viel of keerde terug.
Veel draaiden zich al dadelijk op hun rug.
Ook zag ik er, die aan hun vleugels knaagden.
Eva Gerlach
Maatstaf. Jaargang 26. De Arbeiderspers, Amsterdam 1977
-
27 april
Alles mag je worden
Het springzaad knapt, de brempeulen
knallen open en jij ligt er in je wieg
als een popelend boontje bij.
Alles mag je worden van mij: zeeman,
boswachter, archeoloog. Of -
als je leven ingewikkelder loopt -
gesponsord ontdekker van aangroei
werende stoffen voor scheepsverf,
alleenstaand paddestoelenfotograaf,
pacht- en beestenlijstenonderzoeker
van verdwenen Drentse keuterijen...
Behalve ongelukkig. Beloofd?
Erik Menkveld
Uit: Schapen nu!, De Bezige Bij, Amsterdam, 2001
-
26 april
Kijk
Kijk.
Kijk dan. Roerloos ben ik nu,
als in een goed gedicht van iemand anders.
Te grabbel gooit zich niet de looppas, nee,
een daad is niet langer volzang vijftig de bevestiging.
Als ding houd ik mijn mond
en nagel alle grond gelijk.
Ik ben er niet en kijk.
Joost Zwagerman
Uit: 'Deus Ex Machina', jrg 11, Zwijndrecht 1987.
-
25 april
Een schone zaak
Er hing een donker blaadje aan een balk
in de schuur. Een flardje onopvallendheid,
kleurloos als een waterkoude wintermist.
De zomer koos de coma om zich uit te
schakelen. Wachten is welhaast een halve
levenstaak, een poging niet te sterven van
de vrieskou of verdroging, regulering van
geduld: hoe traag nog gaat er lucht door
je tracheeën, slaat dat kleine buishartje?
Er kwam een lentedag. Het blaadje was
gesplitst, er was een toefje parelmoer, wat
paars pastel en o, oranjebruin. Niets bewoog.
Er was een tweede lentedag, een raam dat
openstond en vastberadenheid. Door de tuin
dwarrelde doodgewoon een dagpauwoog.
Joost Hontelez
Gevonden op: https://www.vlinderstichting.nl/vlindergedichten/
-
24 april
Waarlijk
Voor Anna Achmatova
Wie nooit met stomheid geslagen was,
en ik zeg jullie,
wie slechts zichzelf weet te helpen,
en met woorden -
die is niet te helpen.
Niet over de korte weg
en niet over de lange.
Eén enkele zin houdbaar te maken,
het uit te houden in de bimbam van woorden.
Niemand tekent voor deze zin,
die niet ondertekent.
Ingeborg Bachmann
Vertaald door: Paul Beers, tezamen met Isolde Quadflieg
In: De Revisor, Querido, Amsterdam 1988
-
23 april
Zware vrouwen
Onweerlegbaar, prachtig zelfvoldaan
Als Venus, geplaatst op haar halve schelp
Gehuld in blond haar en de zoute
Sluier van zeewind, installeren de vrouwen
Zich in hun bollende jurken.
Boven iedere gewichtige buik zweeft
Een gezicht kalm als een maan of een wolk.
Innerlijk glimlachend, mediteren zij
Vroom als de Hollandse bloembol
Die zijn twintig blaadjes vormt.
Het donker koestert nog steeds zijn geheim.
Op de groene heuvel, onder het doornig hout,
Wachten zij gespitst op het duizendjarig rijk,
De klop van het klein, nieuw hart.
Kleuters met roze billetjes vergezellen hen.
Wol opwindend, met niets bijzonders omhanden,
Stappen zij tussen de archetypen.
Vallend duister kapt hen in Mariablauw
Terwijl ver weg de spil van de winter
Rondknarst, met zich meesleurend het stro,
De ster, de wijze grijze mannen.
Sylvia Plath
Vertaling B.E. van Hasselt & P.J. Stokhof
In: De Tweede Ronde, Bert Bakker, Amsterdam 1988
-
22 april
Er was een huis
Er was een huis waar we langsfietsten.
'In dit huis woont een vrouw
die gek is,'
zei mijn vriendinnetje.
'Ze is pas met stoel en al door het raam
naar buiten gemieterd.'
'O ja?' vroeg ik.
Ik zei niet dat in dat huis
mijn tante woonde,
die vaak raar deed
maar aan wie ik nooit had gedacht
in het woord gek.
Tjitske Jansen
Uit: 'Koerikoeloem', Podium, Amsterdam 2007.