• 11 mei

    WATERVAL 1961 M.C. Escher

    Water stroomt hier niet en wel.
    Gerimpeld klimt het opwaarts,
    versplinterd stort het neer terwijl
    de loop de zwaartekracht vernachelt,
    het rad de roerloosheid verdraait.
    Spiegelen en glanzen doet het
    niet. Geen golf verdwijnt, geen
    drup verdampt. Ondanks verval
    verglijdt geen fractie tijd. Intussen
    blijft het klotsen, kabbelen en ruisen
    in je verbeelding. En net zo echt
    is dat geklater als het water diep -

    Inge Boulonois

    Uit: 'Dichters Gedichten', 2010.
    Gevonden op www.gedichten.nl
    mei 11, 2025

  • 10 mei

    Een predikant

    Hij sprak aan één stuk door: in onze kringen
    doet men nog steeds te weinig aan kultuur,
    ik geef het toe, maar in het laatste uur
    gaat het - nietwaar - ook om de laatste dingen!

    Zijn adamsappel danste op en neer
    boven de toga of het khaki-hemd,
    over het godsrijk sprak hij hooggestemd
    en blozend over sexueel verkeer.

    Hij sprak over zijn eerbied voor het leven,
    en dat God altijd kracht naar kruis wil geven
    hing ingelijst in zijn studeervertrek.

    Hij leek een halfzacht ei, maar toen ze kwamen
    en hem met knuppels onder handen namen
    hield hij voor 't eerst èn tot het laatst zijn bek.

    A. Marja
    Uit: Nochtans een christen. A.A.M. Stols, Den Haag 1962

    mei 10, 2025

  • 9 mei

    Avond

    Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
    De witte bloesems in de scheemring — ziet,
    Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
    Een enkele, al te late vogel vliedt.

    En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht
    Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
    In teêrheid … Rust — o, wondervreemd genucht!
    Want alles is bij dag zóó innig niet.

    Alle geluid, dat nog van verre sprak,
    Verstierf — de wind, de wolken, alles gaat
    Al zacht en zachter — álles wordt zoo stil…

    En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
    Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
    Altijd maar luider, en niet rusten wil.

    Willem Kloos
    uit: Verzen, W. Versluys, Amsterdam 1894
    mei 9, 2025


  • 8 mei

    Zo mooi als dat keer waren de kastanjebomen nooit geweest

    Zo mooi als dat keer waren de kastanjebomen nooit geweest
    vermoedde ze.
    Wie voorbij de Magdalenabrug
    Onder de Linden liep, en nergens
    stilstond van bewondering
    was zeker stekeblind

    C.C.S. Crone

    Muurgedicht, Utrecht
    mei 8, 2025

  • 7 mei

    Briljant filosoferend

    Briljant filosoferend
    over het leven liet ik
    de aardappels verbranden.
    Een onmiskenbaar bewijs
    van emancipatie.

    Hanny Michaelis

    Uit: De rots van Gibraltar, Amsterdam 1969

    mei 7, 2025


  • 6 mei

    XII

    Te loopen in het jonge lentelicht,
    dat nu elken dag langer openbloeit, -
    naar de steilte te heffen het gezicht,
    daarheen waar hoog, eenzaam een vogel roeit,

    of maar naar den top van den populier,
    waarin de merel zijn avondlied zingt, -
    lied, waar al het geluksverlange' in klinkt,
    dat nu rumoert door mensch en dier, -

    zoo te loopen, vaak vol bekommering
    over de wereld, het duistre gebeur

    in haar; kleine, nietige enkeling
    vol zwakheid en vol twijfel en getreur,

    en dan op eens, vol moed weer en vol drang
    te helpe' en ook nog soms, vol lentezang.

    Henriette Roland Holst-van der Schalk

    Uit: Tusschen tijd en eeuwigheid. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1934
    mei 6, 2025

  • 5 mei

    Een nieuw lied
    5 Mei 1945

    Ik sloeg de luiken open, -
    daar lag het groene land,
    van licht en wind belopen
    van wateren omrand.
    Hoe schoon lag het te blinken
    die morgen in de Mei!
    Mijn fonklend land was vrij.

    Ik deed de welpomp zingen -
    wat koel in de aarde sliep
    ten dagelicht kwam springen,
    het klare water diep.
    Hoe goed was het te drinken
    die morgen in de Mei!
    O land, ten laatste vrij!

    Ik ging mijn eigen ronde
    van werk in hof en huis, -
    en elk gerei hervonden
    het glansde klaar en kuis.
    Hoe blonken alle dingen
    die morgen in de Mei!
    Mijn eigen land, weer vrij!

    Ik knielde, laag bij de aarde,
    toen sprak - - de áárde niet:
    ‘Wie wachtend zich bewaarde,
    dien schenk Ik een nieuw lied’.

    Hoe zoet is het te zingen
    te morgen en te Mei,
    hoe blinken alle dingen!
    Mijn land, mijn hart is vrij!

    Ida Gerhardt

    Gevonden op: https://www.dbnl.org/tekst/_lit003199701_01/_lit003199701_01_0041.php
    mei 5, 2025

  • 4 mei

    Vrede

    Komt een duif van honderd pond,
    een olijfboom in zijn klauwen,
    bij mijn oren met zijn mond
    vol van koren zoete vrouwen,
    vol van kirrende verhalen
    hoe de oorlog is verdwenen
    en herhaalt ze honderd malen:
    alle malen zal ik wenen.

    Sinds ik mij zo onverwacht
    in een taxi had gestort
    dat ik in de nacht een gat
    naliet dat steeds groter wordt,
    sinds mijn zacht betraande schat,
    droogte blozend van ellende
    staan bleef, zo bleef stilstaan dat
    keisteen ketste in haar lenden,
    ben ik te dicht en droog van vel
    om uit te zweten in gebeden,
    kreukels knijpend evenwel,
    en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’.

    Liefde is een stinkend wonder
    van onthoofde wulpsigheden
    als ik voort moet leven zonder
    vrede, godverdomme, vrede;
    want het scheurende geluid
    waar ik van mijn lief mee scheidde
    schrikt mij nu het bed nog uit
    waar wij soms in dromen beiden
    dat de oorlog van weleer
    wederkeert op vilten voeten,
    dat we eigenlijk al niet meer
    kunnend alles, toch weer moeten
    liggen rennen en daarnaast
    gillend in elkanders oren,
    zo wanhopig dat wij haast
    dromen ons te kunnen horen.

    Mag ik niet vloeken als het vuur
    van een stad, sinds lang herbouwd,
    voortrolt uit een kamermuur,
    rondlaait en mij wakker houdt?
    Doch het versgebraden kind,
    vuurwerk wordend, is het niet
    wat ik vreselijk, vreselijk vind:
    het is de eeuw dat niets geschiedt,
    nadat eensklaps, midden door het huis,
    een toren is komen te staan van vuil,
    lang vergeten keldermodder,
    snel onbruikbaar wordend huisraad,
    bloedrode vlammen en vlammend
    rood bloed, de lucht eromheen behangen
    met levende delen van dode doch
    aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
    dat het verbaasde kind in deze zuil
    gewurgd wordt en reeds de armpjes
    opheft.

    Kom vanavond met verhalen
    hoe de oorlog is verdwenen,
    en herhaal ze honderd malen:
    alle malen zal ik wenen.

    Leo Vroman
    Uit: Uit slaapwandelen, Querido, Amsterdam, 1957.
    mei 4, 2025


  • 3 mei

    [voorjaarsgedicht]

    I

    Deze lente gaat het toch weer
    over jou hoewel ik er langzaamaan
    wel moe van ben

    moe van regen, wind, flarden
    bedrieglijk blauw in de lucht,
    vage beloften van het einde
    van de kou.

    Ik weet wel dat ik toch weer
    van je hou, maar moeizaam soms,
    met dat doelloze

    van vogels die er van lijken
    te houden in regen en wind
    te blijven rondhangen
    boven het land.

    Rutger Kopland

    Uit: Het orgeltje van yesterday
    G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1968
    mei 3, 2025


  • 2 mei

    Observatie onder invloed

    De kikkers kwaken
    Het is mei
    Ik luister naar hun stemmen
    Er is weer geen bekende bij

    Stef Ouderpand

    In: Drugs, verslavende gedichten, Uitgeverij 521, Amsterdam, 2002
    mei 2, 2025

Vorige pagina Volgende pagina

Designed with WordPress