11 mei
WATERVAL 1961 M.C. Escher
Water stroomt hier niet en wel.
Gerimpeld klimt het opwaarts,
versplinterd stort het neer terwijl
de loop de zwaartekracht vernachelt,
het rad de roerloosheid verdraait.
Spiegelen en glanzen doet het
niet. Geen golf verdwijnt, geen
drup verdampt. Ondanks verval
verglijdt geen fractie tijd. Intussen
blijft het klotsen, kabbelen en ruisen
in je verbeelding. En net zo echt
is dat geklater als het water diep -
Inge Boulonois
Uit: 'Dichters Gedichten', 2010.
Gevonden op www.gedichten.nl
-
-
10 mei
Een predikant
Hij sprak aan één stuk door: in onze kringen
doet men nog steeds te weinig aan kultuur,
ik geef het toe, maar in het laatste uur
gaat het - nietwaar - ook om de laatste dingen!
Zijn adamsappel danste op en neer
boven de toga of het khaki-hemd,
over het godsrijk sprak hij hooggestemd
en blozend over sexueel verkeer.
Hij sprak over zijn eerbied voor het leven,
en dat God altijd kracht naar kruis wil geven
hing ingelijst in zijn studeervertrek.
Hij leek een halfzacht ei, maar toen ze kwamen
en hem met knuppels onder handen namen
hield hij voor 't eerst èn tot het laatst zijn bek.
A. Marja
Uit: Nochtans een christen. A.A.M. Stols, Den Haag 1962
-
9 mei
Avond
Nauw zichtbaar wiegen op een lichten zucht
De witte bloesems in de scheemring — ziet,
Hoe langs mijn venster nog, met ras gerucht,
Een enkele, al te late vogel vliedt.
En ver, daar ginds, die zachtgekleurde lucht
Als perlemoer, waar ied’re tint vervliet
In teêrheid … Rust — o, wondervreemd genucht!
Want alles is bij dag zóó innig niet.
Alle geluid, dat nog van verre sprak,
Verstierf — de wind, de wolken, alles gaat
Al zacht en zachter — álles wordt zoo stil…
En ik weet niet, hoe thans dit hart, zoo zwak,
Dat al zóó moê is, altijd luider slaat,
Altijd maar luider, en niet rusten wil.
Willem Kloos
uit: Verzen, W. Versluys, Amsterdam 1894
-
8 mei
Zo mooi als dat keer waren de kastanjebomen nooit geweest
Zo mooi als dat keer waren de kastanjebomen nooit geweest
vermoedde ze.
Wie voorbij de Magdalenabrug
Onder de Linden liep, en nergens
stilstond van bewondering
was zeker stekeblind
C.C.S. Crone
Muurgedicht, Utrecht
-
7 mei
Briljant filosoferend
Briljant filosoferend
over het leven liet ik
de aardappels verbranden.
Een onmiskenbaar bewijs
van emancipatie.
Hanny Michaelis
Uit: De rots van Gibraltar, Amsterdam 1969
-
6 mei
XII
Te loopen in het jonge lentelicht,
dat nu elken dag langer openbloeit, -
naar de steilte te heffen het gezicht,
daarheen waar hoog, eenzaam een vogel roeit,
of maar naar den top van den populier,
waarin de merel zijn avondlied zingt, -
lied, waar al het geluksverlange' in klinkt,
dat nu rumoert door mensch en dier, -
zoo te loopen, vaak vol bekommering
over de wereld, het duistre gebeur
in haar; kleine, nietige enkeling
vol zwakheid en vol twijfel en getreur,
en dan op eens, vol moed weer en vol drang
te helpe' en ook nog soms, vol lentezang.
Henriette Roland Holst-van der Schalk
Uit: Tusschen tijd en eeuwigheid. W.L. & J. Brusse, Rotterdam 1934
-
5 mei
Een nieuw lied
5 Mei 1945
Ik sloeg de luiken open, -
daar lag het groene land,
van licht en wind belopen
van wateren omrand.
Hoe schoon lag het te blinken
die morgen in de Mei!
Mijn fonklend land was vrij.
Ik deed de welpomp zingen -
wat koel in de aarde sliep
ten dagelicht kwam springen,
het klare water diep.
Hoe goed was het te drinken
die morgen in de Mei!
O land, ten laatste vrij!
Ik ging mijn eigen ronde
van werk in hof en huis, -
en elk gerei hervonden
het glansde klaar en kuis.
Hoe blonken alle dingen
die morgen in de Mei!
Mijn eigen land, weer vrij!
Ik knielde, laag bij de aarde,
toen sprak - - de áárde niet:
‘Wie wachtend zich bewaarde,
dien schenk Ik een nieuw lied’.
Hoe zoet is het te zingen
te morgen en te Mei,
hoe blinken alle dingen!
Mijn land, mijn hart is vrij!
Ida Gerhardt
Gevonden op: https://www.dbnl.org/tekst/_lit003199701_01/_lit003199701_01_0041.php
-
4 mei
Vrede
Komt een duif van honderd pond,
een olijfboom in zijn klauwen,
bij mijn oren met zijn mond
vol van koren zoete vrouwen,
vol van kirrende verhalen
hoe de oorlog is verdwenen
en herhaalt ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Sinds ik mij zo onverwacht
in een taxi had gestort
dat ik in de nacht een gat
naliet dat steeds groter wordt,
sinds mijn zacht betraande schat,
droogte blozend van ellende
staan bleef, zo bleef stilstaan dat
keisteen ketste in haar lenden,
ben ik te dicht en droog van vel
om uit te zweten in gebeden,
kreukels knijpend evenwel,
en ‘vrede’ knarsend, ‘vrede, vrede’.
Liefde is een stinkend wonder
van onthoofde wulpsigheden
als ik voort moet leven zonder
vrede, godverdomme, vrede;
want het scheurende geluid
waar ik van mijn lief mee scheidde
schrikt mij nu het bed nog uit
waar wij soms in dromen beiden
dat de oorlog van weleer
wederkeert op vilten voeten,
dat we eigenlijk al niet meer
kunnend alles, toch weer moeten
liggen rennen en daarnaast
gillend in elkanders oren,
zo wanhopig dat wij haast
dromen ons te kunnen horen.
Mag ik niet vloeken als het vuur
van een stad, sinds lang herbouwd,
voortrolt uit een kamermuur,
rondlaait en mij wakker houdt?
Doch het versgebraden kind,
vuurwerk wordend, is het niet
wat ik vreselijk, vreselijk vind:
het is de eeuw dat niets geschiedt,
nadat eensklaps, midden door het huis,
een toren is komen te staan van vuil,
lang vergeten keldermodder,
snel onbruikbaar wordend huisraad,
bloedrode vlammen en vlammend
rood bloed, de lucht eromheen behangen
met levende delen van dode doch
aardige mensen, de eeuwige stilte voor-
dat het verbaasde kind in deze zuil
gewurgd wordt en reeds de armpjes
opheft.
Kom vanavond met verhalen
hoe de oorlog is verdwenen,
en herhaal ze honderd malen:
alle malen zal ik wenen.
Leo Vroman
Uit: Uit slaapwandelen, Querido, Amsterdam, 1957.
-
3 mei
[voorjaarsgedicht]
I
Deze lente gaat het toch weer
over jou hoewel ik er langzaamaan
wel moe van ben
moe van regen, wind, flarden
bedrieglijk blauw in de lucht,
vage beloften van het einde
van de kou.
Ik weet wel dat ik toch weer
van je hou, maar moeizaam soms,
met dat doelloze
van vogels die er van lijken
te houden in regen en wind
te blijven rondhangen
boven het land.
Rutger Kopland
Uit: Het orgeltje van yesterday
G.A. van Oorschot, Amsterdam, 1968
-
2 mei
Observatie onder invloed
De kikkers kwaken
Het is mei
Ik luister naar hun stemmen
Er is weer geen bekende bij
Stef Ouderpand
In: Drugs, verslavende gedichten, Uitgeverij 521, Amsterdam, 2002