10 juni
Wachtende aarde
Ik sta verloren in het wijde land
Waar nog de grauwe grond bezond moet worden
en waar de wind, al zingend, hand in hand
de vlakke velden dicht aaneen wil gorden.
’t Oneindig land dat overal wil einden,
maar bij het einde weer opnieuw begint,
het is ’n water dat na elke golf weer deinde,
het is ’t lachen van het liefste kind.
Ik hef mijn hand op naar een naakte tak
die zwaar en zwijgend wacht als ’t land daaronder
op ’t ademen van een nieuw getij,
want zonder dit zachte suiz’len van de ademtocht
die brak door kille eenzaamheid
kan ’t nieuwe leven geen bloesem
en geen jonge vruchten geven.
Elisabeth Chaussee
Gevonden op: https://levenshorizonten.com/wp-content/uploads/2014/03/nederlandse-dichters-compl.pdf
-
-
9 juni
Verschijning
Op een avond die ik mij niet herinner
zal hij komen met een vliegerpet op,
de tuin inlopen, een stukje dansen.
Hij zal willen dat ik denk
dat hij Herman Gorter is
en ik zal dat voor hem denken,
maar als hij in mijn oor brult:
‘mijn hoeden winkels en oorlog’,
dan denk ik niets.
De volgende ochtend zal hij verschijnen
met een kin vol watjes
ter ontroering
en me aankijken
met een theorie in zijn ogen
maar ik denk: jij met de pet op
en ik wij zijn dezelfde stof
met dezelfde topsnelheid
onder de stof en als de tijd
wordt uitgekeerd
bijwijze van uitkering ineens,
maar geen seconde eerder
zingen wij samen: ‘wake up little Suzie,
wake up little Suzie
you gotta go home’.
Frank Koenegracht
Hollands Maandblad. Jaargang 1988 Meulenhoff B.V., Amsterdam 1988
-
8 juni
-
7 juni
Nacht
De kleine maan werd door den nacht verslonden
De sterren gingen onder in de wolken.
Alleen, laag aan de aarde, tracht te branden
Mijn gele lamp. In 't donker schuilen dorpen,
Achter gesloten blinden slapen allen,
Ik waak alleen. Waarom, als allen slapen?
Waarom ik, die zal sterven met de andren?
Ik teeken de karakters zonder eerbied.
Verteren zal mijn hand die schrijft en 't blad
Dat op zich neemt de klacht van dezen nacht.
Het regent redeloos en droef. Vanwaar,
Waarom en waartoe zijn mij deze reeglen
Ontvallen ...........?
J.J. Slauerhoff
Verzamelde gedichten. Deel 2. A.A.M. Stols, Den Haag 1947 (tweede druk)
-
6 juni
Die Pappel am Karlsplatz
Eine Pappel steht am Karlsplatz
mitten in der Trümmerstadt Berlin,
und wenn Leute gehen übern Karlsplatz, sehen sie ihr freundlich Grün.
In dem Winter sechsundvierzig
fror’n die Menschen, und das Holz war rar, und es fiel’n da viele Bäume,
und es wurd’ ihr letztes Jahr.
Doch die Pappel dort am Karlsplatz zeigt uns heute noch ihr grünes Blatt: Seid bedankt, Anwohner vom Karlsplatz, daß man sie noch immer hat.
Berthold Brecht
Gevonden op: https://genius.com/Bertolt-brecht-die-pappel-vom-karlsplatz-annotated
-
5 juni
Het knaapje in het bos
Het knaapje had gelopen
De ganse dag in 't bos;
De slaap heeft hem bekropen
Daar op het groene mos.
Toen daalden uit de bomen
De eekhorens naar beneên;
De hazen zijn gekomen
En dansten om hem heen;
De dartle reetjes speelden
Om hem in struik en riet;
De lieve vogels kweelden
Hun allerzoetste lied.
Maar niemand stoorde 't knaapje
En niemand deed hem leed,
Tot hij, verkwikt door 't slaapje,
Weer de ogen open deed.
Toen zijn ze op eens verdwenen
In 't allerdichtste geboomt;
En 't heeft de knaap geschenen,
Dat hij 't al had gedroomd.
J.J.A. Goeverneur
Uit: Prettige tijdkorting. Van Druten en Bleeker, Sneek ca. 1857
-
4 juni
Avond aan ‘t strand
Nu is ’t of alles rusten wil,
De hemel wijd en de duinen stil,
En ’t dorpje in ‘t duin gezeten,
Wat nestjes bruin, ‘t kerkje in hun schoot,
En wat venstertjes blozend nog van rood,
Door zonne in ‘t west vergeten.
En naast de duinen de grote zee,
Zo droomrig loom of zij zachtjes mee
Wil slapen en niet meer zingen;
Haar scheepjes, gevlijd op hun schaduw, dicht
Aan ‘t strand, veel bruine rankheid in ‘t licht,
Dat laatst uit de kim komt dringen.
Door het domm’len en dromen gaat
Een even herleven: kindergepraat,
Hoog - en dan weg, een geklater
Van rijke blijheid, die nog eens laat
Klinken goudklankjes door ‘t avondlaat...
Als een lach door de scheemring gaat er.
Stil en stiller, lomer, loom...
Duinen vaag in het dauwgedoom,
Dorpje met lichte blode;
Kloppende klompjes dof in de straat...
- Over heel het natuurgelaat
Rust: de dag is gevloden.
Marie Boddaert
Gevonden op: www.gedichten.nl
-
3 juni
Ik ging eens om een broodje
Ik ging eens om een broodje,
De bakker was niet thuis,
en toen de bakker niet thuis was,
ging ik weer naar huis.
Ik ging eens naar de mensen
en sprak ze allen aan,
al ken ik vele talen,
geen mens heeft mij verstaan.
Ik ging naar alle deuren,
waar ’t venster was verlicht,
zo hard kon ik niet kloppen,
of elke deur bleef dicht.
Ik ging eens naar een kamer,
waar ik me welkom wist,
de deur bleef afgesloten,
ik had me dus vergist.
Ik ging naar alle boeken
en vroeg ze alle raad,
maar geen dat mij kon zeggen,
wat niet geschreven staat.
Ik ben toch eens geboren
en ga dus ook eens dood,
zolang ik nog moet leven,
ga ik maar steeds om brood.
Is de poort open?
Dop Bles
Uit: Parijsche verzen. C.A.J. van Dishoeck, Bussum 1923
-
2 juni
Een kinderspiegel
'Als ik oud word neem ik blonde krullen
ik neem geen spataders, geen onderkin,
en als ik rimpels krijg omdat ik vijftig ben
dan neem ik vrolijke, niet van die lange om mijn mond
alleen wat kraaiepootjes om mijn ogen.
Ik ga nooit liegen of bedriegen, waarom zou ik
en niemand gaat ooit liegen tegen mij.
Ik neem niet van die vieze vette
grijze pieken en ik ga zeker ook niet
stinken uit mijn mond.
Ik neem een hond drie poezen en een geit
die binnen mag, dat is gezellig,
de keutels kunnen mij niet schelen.
De poezen mogen in mijn bed
de hond gaat op het kleedje.
Ik neem ook hele leuke planten met veel bloemen
niet van die saaie sprieten en geen luis, of zoiets raars.
Ik neem een hele lieve man die tamelijk beroemd is
de hele dag en ook de hele nacht
blijven wij als maar bij elkaar.'
Judith Herzberg
Uit: 'Strijklicht', 1971.
-
1 juni
Je bent niet al te serieus, met zeventien.
Een mooie avond. Bier noch fris meer ingenomen!
Weg van 't cafélawaai, en luchters bovendien!
Je slentert door de laan met groene lindebomen.
O mooie juninachten met je lindengeur!
De lucht is soms zo mild, je laat je ogen luiken.
De wind, vol van geluid - de stad is naast de deur -
draagt wingerdgeuren aan, en laat een bierlucht ruiken.
Arthur Rimbaud
Vertaling: Jan Kal
In: De Tweede Ronde. Jaargang 13. Bert Bakker, Amsterdam 1992