• 30 juni

    Zomer

    Ineens die drie maanden
    met alleen maar droogte.

    De cipressen met hun rosse borstels.
    De witte schorpioen zonder venijn.

    Een zomer van verbrand papier.
    De natuur blijft snateren
    terwijl ik rot.

    Toen kwam jij
    en sindsdien kom ik
    handen en ogen tekort
    met mijn mond vol tanden.

    Hugo Claus
    Uit: Ik schrijf je neer, Bezige Bij, Amsterdam 2002

    juni 30, 2025


  • 29 juni

    Zomeravond
    (Naar het Portugees)

    Kindje, slaap maar, kindje,
    't was ook zo warm deze dag.
    In de schemer
    zit nu een kleine egel
    met zijn mooie stekels
    eenzaam in het gras.

    Het gras wacht op regen.
    Geen takje beweegt er.
    Luister naar de merel,
    hoog op ons dak.

    Avond vol verlangen.
    De maan maakt zich klaar voor de nacht.
    In de avondschemer
    komt strakjes onze egel
    nog een egel tegen,
    liefkoost haar vacht.

    Van ver wordt de merel
    antwoord gegeven.
    Morgen komt de regen
    waar het gras op wacht.

    Kindje, slaap maar, kindje,
    in de avondschemer.
    Hebt al slaap gekregen.
    Slaap maar mijn schat.

    Willem Wilmink
    uit: Verzamelde liedjes en gedichten, Prometheus, Amsterdam 2017
    juni 29, 2025


  • 28 juni

    Het leven in juni

    Om mij heen is alles luidkeels in leven
    de boer op zijn maaier, blatende schapen
    in de esdoorn een zwartkop die roept
    om een vrouwtje, uit bloemkelken klinkt
    het geronk van een bij.

    En ik leef ook maar moet dat zelf zeggen
    want niets van al wat ik waarneem noemt mij.
    Zoals je met vrienden wel praat over vroeger:
    We waren aan zee, in een tent, heel gelukkig –
    vraagt iemand: was jij daarbij?

    Dus ben ik alleen in de tuin in de wereld
    en om mij heen ademt alles en in huis
    zit een man. Dit is het leven, schrijft hij,
    deze ochtend in juni, de zwartkop zingt
    en in de tuin zit zij.

    Marjoleine de Vos

    In:Tirade. Jaargang 51 G.A. van Oorschot, Amsterdam 2007
    juni 28, 2025


  • 27 juni

    Genade en gezag

    Dit is niet wat je denkt. Het zonlicht prikkelt, stemt tot
    vrolijkheid. Lucht en wolken als bij toverslag. Wetten.

    Geen benul van deze schaalvergroting, de raadsels, wie
    de verkeerde route wijst, het lachend op een lopen zet.

    Het hart blijft kloppen. Regelmatig. De uren beklijven,
    verstrijken, dienen als ijkpunt, als voorbereiding, lopen

    vol, zoals bekend. Vergelijkbare vormen razen voorbij,
    groots, talrijk, een straat kent hoeken, lijnen, een straat

    is een verlenging, een openbaar gangpad — ten einde
    voor je het weet. Doorgestoken kaart. Dagen achtereen.

    Alfred Schaffer

    Uit: Definities en halucinaties, Bezige Bij, Amsterdam 2003
    juni 27, 2025


  • 26 juni
    Er moeten mensen zijn

    Er moeten mensen zijn
    die zonnen aansteken,
    voordat de wereld verregent.

    Mensen die zomervliegers oplaten
    als het ijzig wintert,
    en die confetti strooien
    tussen de sneeuwvlokken.

    Die mensen moeten er zijn.

    Er moeten mensen zijn
    die aan de uitgang van het kerkhof
    ijsjes verkopen,
    en op de puinhopen
    mondharmonica spelen.

    Er moeten mensen zijn,
    die op hun stoelen gaan staan,
    om sterren op te hangen
    in de mist.
    Die lente maken
    van gevallen bladeren,
    en van gevallen schaduw,
    licht.

    Er moeten mensen zijn,
    die ons verwarmen
    en die in een wolkeloze hemel
    toch in de wolken zijn
    zo hoog
    ze springen touwtje
    langs de regenboog
    als iemand heeft gezegd:
    kom maar in mijn armen

    Bij dat soort mensen wil ik horen
    Die op het tuinfeest in de regen BLIJVEN dansen
    ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan

    Er moeten mensen zijn
    die op het grijze asfalt
    in grote witte letters
    LIEFDE verven
    Mensen die namen kerven
    in een boom
    vol rijpe vruchten
    omdat er zoveel anderen zijn
    die voor de vlinders vluchten
    en stenen gooien
    naar het eerste lenteblauw
    omdat ze bang zijn
    voor de bloemen
    en bang zijn voor:
    ik hou van jou

    Ja,
    er moeten mensen zijn
    met tranen
    als zilveren kralen
    die stralen in het donker
    en de morgen groeten
    als het daglicht binnenkomt
    op kousenvoeten

    Weet je,
    er moeten mensen zijn,
    die bellen blazen
    en weten van geen tijd
    die zich kinderlijk verbazen
    over iets wat barst
    van mooiigheid
    Ze roepen van de daken
    dat er liefde is
    en wonder
    als al die anderen schreeuwen:
    alles heeft geen zin
    dan blijven zij roepen:
    neen, de wereld gaat niet onder
    en zij zien in ieder einde
    weer een nieuw begin
    Zij zijn een beetje clown,
    eerst het hart
    en dan het verstand
    en ze schrijven met hun paraplu
    i love you in het zand
    omdat ze zo gigantisch
    in het leven opgaan
    en vallen
    en vallen
    en vallen
    en OPSTAAN

    Bij dát soort mensen wil ik horen
    die op het tuinfeest in de regen BLIJVEN dansen
    ook als de muzikanten al naar huis zijn gegaan
    de muziek gaat DOOR
    de muziek gaat DOOR
    en DOOR

    Toon Hermans
    Gevonden op:
    https://mensontwikkeling.nl/inspiratie/gedicht-er-moeten-mensen-zijn-toon-hermans/
    juni 26, 2025


  • 25 juni

    Het tuinfeest

    De Juni-avond opent een hoog licht
    Boven de vijver, maar rond om de helle
    Lamp-lichte tafel in het grasveld zwellen
    De boomen langzaam hun groen donker dicht.

    Wij, aan 't dessert, eenzelvige rebellen,
    Ontveinzen 't in ons mijmerend gedicht,
    Om niet, nu 't uur eind'lijk naar weemoed zwicht,
    Elkanders kort geluk teleur te stellen.

    Ginds, aan de overkant, gaan reeds gitaren,
    En lampions, en zacht-plassende riemen,
    Langzaam over verdronken sterren varen—

    Zij zingen, nijgen naar elkaar en kussen,
    Geenszins om liefde, maar om de sublieme
    Momenten en het sentiment daartusschen.

    Martinus Nijhoff
    Uit: Verzamelde gedichten, Bert Bakker, Amsterdam 2001
    juni 25, 2025


  • 24 juni

    Zomerloomheid

    Nog deze morgen, in de blauwe koelte
    Der schaduw, heb ik 't leven zeer bemind;
    Nu ben ik overmand van zorg en zoelte
    In het vermoeiend spel van zon en wind.

    Een ledige van daden en van dromen,
    Een mens voor wie niet anders meer bestaat
    Dan ' t zwatelen der blaren aan de bomen,
    En' t stof, dat warrelt langs de droge straat.

    Wat blijft Voor de vermoeide van dit dolen,
    In wie de felle stem der aarde zwijgt,
    Tenzij die éne drang, die diep-verholen
    Naar dauw, gelatenheid en avond hijgt?

    J.C. Bloem
    Uit: Verzamelde gedichten, Amsterdam, Athenaeum - Polak Van Gennep, 1974
    juni 24, 2025


  • 23 juni

    Zomer
    Ik zat waar zon op 't warme water scheen
    En gele bloemen bloeiden aan de kant;
    Het grazend vee ging door de weiden heen,
    De zomerlucht hing walmend over 't land.

    De wilgen waren zilverbleek en stil
    Voor 't stralend blauw, van wolk en nevel vrij;
    Een glazenmaker vloog, met lichtgetril
    Op 't parelmoerig vleugelgaas, voorbij.

    De schuwe vissen, in 't koeldonker diep,
    Verschoten snel, of stonden lang op wacht,
    Waar d'aarde zich, in beeld, nog schoner schiep,
    Dromend de zomerdroom van eigen pracht.

    En over 't hooiland, waar een wagen stond
    Met vers-groen gras te geuren in de zon,
    En verder waar het drachtig korenblond
    Met brede golving boog ten horizon,

    Tot waar een scheem'rend bos zich flauw verhief,
    De wereld wegsmolt in der hemelen gloed,
    Dreef mijn gedacht, hoe schoon de dag was, lief
    Uw schone ziel verlangend tegemoet.

    Frans Bastiaanse
    Gevonden op: https://www.gedichten.nl/nedermap/po%C3%ABzie/po%C3%ABzie/184187.html
    juni 23, 2025


  • 22 juni

    Voor de zomerregen

    Er is aan 't park met al zijn groen ineens
    iets dat zich niet benoemen laat ontnomen;
    je voelt de bui al die eraan gaat komen,
    die zwijgt aan 't raam. In 't laaghout klinkt alleen

    indringend luid een fluitende pluvier
    die denken doet aan een wereldverzaker:
    zozeer stijgt eenzaamheid en ijver hier
    op uit de stem van deze regenmaker.

    De wanden van de zaal zijn teruggeweken
    met al hun schilderijen, alsof zij
    niet mogen weten waar wij over spreken.

    Verbleekte kleden spiegelen het vage,
    onzekere namiddaglicht dat wij
    als kind nooit zagen zonder onbehagen.

    Rainer Maria Rilke

    (vertaald door Peter Verstegen)
    In: De Tweede Ronde. Jaargang 16. G.A. van Oorschot, Amsterdam 1995
    juni 22, 2025


  • 21 juni

    Current biology

    Zo hangt er toch nog een moraal
    Aan het verhaal over de mezen
    In de steden; alleen de hoogste tonen
    overleven, dat vond de wetenschap.
    Voor meer en tere vogels is dus
    stilte nodig, lawaai verschraalt.

    Bezetenen die zoiets meten
    zijn dierbaarder, als soort, en
    zeldzamer. Hangen ze microfoontjes
    in de bomen? En vullen ze dan ’s avonds
    In luide steden lijsten in?

    En worden ze niet uitgelachen
    zo toegewijd aan wat, vergeleken
    met research naar leeuwen en gorilla’s
    een kleinigheid kan lijken?

    Waar huizen zulke onderzoekers zelf?
    Worden hun zoontjes op het schoolplein
    In de stad veracht als ze bekennen:
    ‘mijn pappa meet het geluid van mezen’
    ach had toch maar op hoge toon gelogen:
    ‘O die? Op olifantenjacht.’

    Judith Herzberg
    Uit: Het vrolijkt, De Harmonie, Amsterdam 2008
    juni 21, 2025

Vorige pagina Volgende pagina

Designed with WordPress