10 juli
Een rijm
God schiep als een voorbeeldig dier
de nijvre mier.
Zijn tweede schepping was nog beter:
de miereneter.
Alfred Kossmann
In: De Nederlandse poëzie in duizend en enige gedichten
(Komrij), Bert Bakker, Amsterdam 1979
-
-
9 juli
De hebberige oom en de naakte neushoornjager
Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers
Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon
Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen
Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder
Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.
De neushoornjager is niet echt poëtisch
Hij schrijft gedichten, dat wel
Zijn het goede gedichten?
Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken
Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.
Want toen ik ze las was ik gedrogeerd
Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer
Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf
Hij is vadsig, hebberig en rancuneus
Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.
In haar tuin staan kruiden
Die zonder sporen dodelijk zijn
Toch zal ik mijn oom laten leven
Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren
En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.
Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels
De zijne, de mijne, de hare
In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren
Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol
Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.
De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat
Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’
Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.
Delphine Lecompte
In: Tirade 449, Van Oorschot, Amsterdam 2013
-
8 juli
De geschiedenis van in de trein (slot)
Misschien, hier of later, of strakjes, in zo'n
ziekenhuis, in de bak, in die flats, helpyourselfs,
in je eigen bed: wachten enkel loze hulsels mij en
u, ondanks het meest onwankelbare geloof.
‘Heb u ook geen kind,’ vroeg het vrouwtje, en
ik zei: ‘ja ik heb er één. Ook een beetje ziek,
maar zo erg niet.’ ‘Nee,’ zegt ze, ‘God spaart
vrouwen met maar één.’ Of dit waar is
kan ik niet bedenken. Kansberekening is een
moeizaam ding. Indien niet speelde ik vaker
roulette, maar voor moedertje heerste twijfel niet.
‘Ik ga zien,’ zei ze, ‘te nog het beste, want
hierzo moet ik er uit.’
Nu, dacht ik, waar is een plekje, waar ik
rustig staan kan gaan, en het landschap weg
zien spoelen, door zo'n mat w.c. glaasjes raam.
Het kind, na sterven, wordt een engel, vast, want
zijn moeder komt eraan, gekleed op net. Met
die framboosjes. Zonder naam voor mij. Vanuit
de trein, n.b. naar Z. Jawel naar Z. Het
einde van ons alphabet.
Fritzi Harmsen van Beek
In: Maatstaf, jaargang 21, De Arbeiderspers, Amsterdam 1973
-
7 juli
De geschiedenis van in de trein (III)
‘Dat is hem, toen hij nog goed was,’
zong het moedertje, nu met klem, en zo
bovenaardse tonen ontvoegden zich aan haar
versleten stem, dat coupé, omvang en ruimte en
zelfs nog de acoustiek, vorm van cathedraal
aannamen, terwijl ze verder preludeerde: ‘Ge-
lukkig dat ik zelve niet ziek ben, zodat ik op
heden er nog heen kan gaan, maar, ziet u, ik
heb mijn Geloof. Vandaar dat ik op mijn oude dag
voor mijn jonkje, ongestraft, frambozen roof.
En met Gods hulpe niet bemerkt werd. Hij liet
het regenen als een vergiet, zodat ik onopgemerkt
me gang kon gaan, notaris die zag me niet.’
Er viel een stilte, maar vorm van melodieën
verwarden en gelijk stilden mijn hoofd.
In die trein, en maar rijen, rijen rijen, om-
dat men nog in aankomst gelooft.
Echter nee, zo is het niet, hebik gelezen, in
menig geleerde boek. We gaan voort maar wat ons
te wachten staat, is zo zeker als waar niets te
zien meer valt, dan kijken om een dooie hoek.
<morgen verder>
-
6 juli
De geschiedenis van in de trein (II)
‘Ja,’ zei ze, ‘hij is pas ellef jaren en hij
ligt al drei jaar ziek, de dokters en de professoren
die weten er niets meer op. Alleen kan ik slecht
van huis af, ik heb er nog vier en me man,
zodat u wel kan begrijpen dat ik hemniet vaak
bezoeken kan.
Ik wist niet wat ik nou doen zou, want
die trein is ook al zo duur en als
ik dan eenmaal in die stad aankom
ligt het hospitaal nog lopen een half uur.
Hij kan ook al niet meer spelen,
maar in bed heb hij z'n zusjes pop,
die heeft dat wurm hem maar gegeven en
hij knapte er werkelijk van op.
Wat moest ik hem nu toch brengen, want
als moeder neem je graag iets mee om
je zieke kind mee te verwennen, maar,
maar ik kwam maar op geen enkele idee.
Toen dacht ik, in de tuin van notaris
groeien frambozen heel voor niks, geen
mens die ze ooit komt plukken, dus toen
ben ik er heengaan op me fiets.
Ach wat is het nu 's morgens al vroeg helder, ik
moest op voor dag en dauw, met me elastieke kousen
aan, voor m'n aderen, weetu; een dikke das, tegen
ochtendkou: uit stelen. En dat voor een oude vrouw!
Nu heb ik hier een heerlijk mandje, hij is toch zo
dol op dat goed, en vaak heb hij het nooit gekregen.
Hier, ruik eens, is dat niet zoet? Het zal nu zo lang
wel niet meer duren, dat zo'n rare dingen doen moet,
om hem nog wat plezier te verschaffen. Hij wordt al
kleiner, net of dat hij krimpt. Hij zal nog gaan zo
hij gekomen is, maar het ergste dat me krenkt:
je zal altijd zien, zien dat de liefste, je het eerste
missen moet.’
Ongeveer zo sprak het vrouwtje.
(huilen)
Ik had zin om te gaan staan, enfin, in het z.g.
toilet van deze trein, maar ik wist niet
hoe er te komen, zoiets kan soms moeilijk zijn.
Ik zei ook maar niet tegen het moedertje, dat
ik juist op weg was naar míjn zoon, en ook maar
niet waar die verblijf hield. Dat leek me, viel
een beetje uit de toon. Nu kwam ze tevoorschijn
met een kiekje van een een zeer grootogig kind:
<morgen verder>
-
5 juli
De geschiedenis van in de trein
Dit wordt de vervrolijkende geschiedenis,
ook al zou je eerst denken van niet,
over in de trein een ontmoeting
waar ik heel niet om had gevraagd.
Een vrouwtje dat zat me tegenover en
begon te spreken, op zeer zachte toon,
niet bepaald de klank van hemelse fluiten,
dat kwam later, eerst sprak ze gewoon.
Maar, zachtjes: haar woorden leken voetjes
die, aarzelend, stap voor stap, een kastruimte
willengaan verkennen, om te zien of er
ook vluchtruimte in zat.
Ze wou zich zeer zeker verbergen in een hol,
maar er toch nog wel weer uit dan, en ze zei:
‘Weet u, ik ga naar me zoontje toe, hij
verlangt zo erg naar mij.’
(Dit is allemaal echt gebeurd hoor, ik
schrijf zo maar geen onzin op), bij
haar volgende dubbele phrasen ontving
ik dubbele dreunen voor mijn kop.
Fritzi Harmsen Van Beek
<morgen verder>
-
4 juli
Soms zomeravonds, als ik 't oude huis
Vol schem'ring, zonder menschen, binnenkom -
Ik luister en ik weet niet recht, waarom -
'K ga naar mijn kamer. - 'K hoor nog net een muis. -
Uit groenig zwarte boomen waait geruisch
Door 't open raam. - 'K beweeg mijn oogen: glom
Daar iets? - Een plaat. - Wonderlijk stil rondom
De meubels. - 'K hoor in de ooren 't bloedgesuis. -
'T lijkt ver en vreemd. - Ik denk niet: ‘Is hier iets?’
Ik weet wel beter: haast me opzett'lijk niets,
Maak licht, ga zitten, neem een boek, en lees.
En even kijk ik, even, weg van 't boek -
Was dat de muis niet? - naar een donk're hoek. -
Dat was de voortijd en zijn spokenvrees.
J.A. Dèr Mouw
UIt: Brahman. Deel 1. W. Versluys, Amsterdam 1919
-
3 juli
Als er geen licht meer door linnen dringt
‘Weet je hoe je kunt zien wanneer iets goed geschilderd is?’
vroeg mijn oom in zijn hobbykamer, waar hij zijn Meer bij
zonsondergang met de voorkant tegen de middagzon hield.
‘Als er geen licht meer door het linnen dringt.’ Ik draaide
de ansicht om die als voorbeeld had gediend: Camping
Seeperle, Bodensee, en wist opeens dat ik liefst elk gedicht
met sinterklaasrijm wilde schrijven, inhoudelijk haast zonder
gewicht, in de hoop – ‘We kwamen er vaak, je tante en ik’
– dat er vanzelf iets in sloop en daar bleef waar geen vinger
achter te krijgen is, zoals ofschoon je engel je niet mis
te verstaan zijn Eden uit gewezen heeft, de herinnering
aan zijn meisjesgelaat, dat een en al buiten was zo zonder
noodzaak van een binnen, dat je aldoor hoopt het weer
te zien wanneer ooit geen zicht meer door linnen dringt.
Huub Beurskens
Uit: 'Hotel Eden', Nieuw-Amsterdam, Amsterdam 2013.
-
2 juli
Nacht
Wereld van aarde,
alle lichten uit.
Slapend lichaam van grond,
geurige lieve mandarijn,
hangend aan je gedroomde takje
in de nachtgaard.
Regen in juli,
liefde in woorden.
Je lichaam slaapt
als de schim van jonge bomen.
Remco Campert
Uit: 'Alle bundels gedichten', Bezige Bij, Amsterdam 1976
-
1 juli
De zee, een pauw
Een waaier van geduld waarin
het waait,
een witte pauw met ogen op
de einder, trillende triomf
tot in de palmen van haar schuim.
Verliest haar oog aan kleur, betrekt
de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
zij op waar zij in spindrift zich
op golven neergeschreven heeft.
Zij geeft het strand te drinken uit
haar veren, wringt haar ogen om
zwart steen omhoog, spoelt schoon en valt
breeduit in slaap bij deining die
zich naar haar deinen voegt zover
het lopen strekt van kust tot kust.
Chr. J. van Geel
Uit: Enkele gedichten, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1973