• 10 juli

    Een rijm

    God schiep als een voorbeeldig dier
    de nijvre mier.
    Zijn tweede schepping was nog beter:
    de miereneter.

    Alfred Kossmann

    In: De Nederlandse poëzie in duizend en enige gedichten
    (Komrij), Bert Bakker, Amsterdam 1979

    juli 10, 2025

  • 9 juli

    De hebberige oom en de naakte neushoornjager

    Mijn grootmoeder heeft veertien wekkers
    Dat zijn er elf te veel, beweert haar strenge zoon
    Zonder kersenbonbons is hij binnengevallen
    Met een zak vol maskers en wijwatervaten verlaat hij zijn moeder
    Morgen zal hij de wijwatervaten verkopen aan een poëtische neushoornjager.

    De neushoornjager is niet echt poëtisch
    Hij schrijft gedichten, dat wel
    Zijn het goede gedichten?
    Ik weet het niet, ik durf mij niet uit te spreken
    Over de kwaliteit van zijn groteske sonnetten.

    Want toen ik ze las was ik gedrogeerd
    Het spijt me, en ik doe dat nu niet meer
    Maar mijn oom, mijn oom nee hij is niet braaf
    Hij is vadsig, hebberig en rancuneus
    Mijn grootmoeder vraagt me of ik hem wil vergiftigen.

    In haar tuin staan kruiden
    Die zonder sporen dodelijk zijn
    Toch zal ik mijn oom laten leven
    Ik ben nog veel te jong om een familielid te liquideren
    En als ik het een keer doe vrees ik dat ik de smaak te pakken krijg.

    Ik verlaat mijn grootmoeder met een borstzak vol teennagels

    De zijne, de mijne, de hare

    In de duinen spot ik de neushoornjager zonder kleren

    Zijn penis is ondanks de rusttoestand groter dan een volwassen mol

    Ziet hij mij naderen dan wordt de mol een alerte meerkat.

    De neushoornjager vraagt hoe het met mijn rolschaatscarrière gaat

    Ik antwoord: ‘Heel goed. In Bulgarije telt mijn fanclub meer dan honderd leden.’

    Na deze onschuldige leugen valt zijn meerkat evenwel in duigen.

    Delphine Lecompte
    In: Tirade 449, Van Oorschot, Amsterdam 2013
    juli 9, 2025


  • 8 juli
    De geschiedenis van in de trein (slot)

    Misschien, hier of later, of strakjes, in zo'n
    ziekenhuis, in de bak, in die flats, helpyourselfs,
    in je eigen bed: wachten enkel loze hulsels mij en
    u, ondanks het meest onwankelbare geloof.

    ‘Heb u ook geen kind,’ vroeg het vrouwtje, en
    ik zei: ‘ja ik heb er één. Ook een beetje ziek,
    maar zo erg niet.’ ‘Nee,’ zegt ze, ‘God spaart
    vrouwen met maar één.’ Of dit waar is

    kan ik niet bedenken. Kansberekening is een
    moeizaam ding. Indien niet speelde ik vaker
    roulette, maar voor moedertje heerste twijfel niet.
    ‘Ik ga zien,’ zei ze, ‘te nog het beste, want
    hierzo moet ik er uit.’

    Nu, dacht ik, waar is een plekje, waar ik
    rustig staan kan gaan, en het landschap weg
    zien spoelen, door zo'n mat w.c. glaasjes raam.
    Het kind, na sterven, wordt een engel, vast, want
    zijn moeder komt eraan, gekleed op net. Met
    die framboosjes. Zonder naam voor mij. Vanuit
    de trein, n.b. naar Z. Jawel naar Z. Het
    einde van ons alphabet.

    Fritzi Harmsen van Beek
    In: Maatstaf, jaargang 21, De Arbeiderspers, Amsterdam 1973


    juli 8, 2025


  • 7 juli

    De geschiedenis van in de trein (III)

    ‘Dat is hem, toen hij nog goed was,’
    zong het moedertje, nu met klem, en zo
    bovenaardse tonen ontvoegden zich aan haar
    versleten stem, dat coupé, omvang en ruimte en

    zelfs nog de acoustiek, vorm van cathedraal
    aannamen, terwijl ze verder preludeerde: ‘Ge-
    lukkig dat ik zelve niet ziek ben, zodat ik op
    heden er nog heen kan gaan, maar, ziet u, ik
    heb mijn Geloof. Vandaar dat ik op mijn oude dag
    voor mijn jonkje, ongestraft, frambozen roof.
    En met Gods hulpe niet bemerkt werd. Hij liet
    het regenen als een vergiet, zodat ik onopgemerkt
    me gang kon gaan, notaris die zag me niet.’

    Er viel een stilte, maar vorm van melodieën
    verwarden en gelijk stilden mijn hoofd.
    In die trein, en maar rijen, rijen rijen, om-
    dat men nog in aankomst gelooft.

    Echter nee, zo is het niet, hebik gelezen, in
    menig geleerde boek. We gaan voort maar wat ons
    te wachten staat, is zo zeker als waar niets te
    zien meer valt, dan kijken om een dooie hoek.

    <morgen verder>
    juli 7, 2025


  • 6 juli
    De geschiedenis van in de trein (II)

    ‘Ja,’ zei ze, ‘hij is pas ellef jaren en hij
    ligt al drei jaar ziek, de dokters en de professoren
    die weten er niets meer op. Alleen kan ik slecht
    van huis af, ik heb er nog vier en me man,
    zodat u wel kan begrijpen dat ik hemniet vaak
    bezoeken kan.

    Ik wist niet wat ik nou doen zou, want
    die trein is ook al zo duur en als
    ik dan eenmaal in die stad aankom
    ligt het hospitaal nog lopen een half uur.
    Hij kan ook al niet meer spelen,
    maar in bed heb hij z'n zusjes pop,
    die heeft dat wurm hem maar gegeven en
    hij knapte er werkelijk van op.
    Wat moest ik hem nu toch brengen, want
    als moeder neem je graag iets mee om
    je zieke kind mee te verwennen, maar,
    maar ik kwam maar op geen enkele idee.
    Toen dacht ik, in de tuin van notaris
    groeien frambozen heel voor niks, geen
    mens die ze ooit komt plukken, dus toen
    ben ik er heengaan op me fiets.
    Ach wat is het nu 's morgens al vroeg helder, ik
    moest op voor dag en dauw, met me elastieke kousen
    aan, voor m'n aderen, weetu; een dikke das, tegen
    ochtendkou: uit stelen. En dat voor een oude vrouw!
    Nu heb ik hier een heerlijk mandje, hij is toch zo
    dol op dat goed, en vaak heb hij het nooit gekregen.
    Hier, ruik eens, is dat niet zoet? Het zal nu zo lang
    wel niet meer duren, dat zo'n rare dingen doen moet,
    om hem nog wat plezier te verschaffen. Hij wordt al
    kleiner, net of dat hij krimpt. Hij zal nog gaan zo
    hij gekomen is, maar het ergste dat me krenkt:
    je zal altijd zien, zien dat de liefste, je het eerste
    missen moet.’
    Ongeveer zo sprak het vrouwtje.



    (huilen)
    Ik had zin om te gaan staan, enfin, in het z.g.
    toilet van deze trein, maar ik wist niet
    hoe er te komen, zoiets kan soms moeilijk zijn.
    Ik zei ook maar niet tegen het moedertje, dat
    ik juist op weg was naar míjn zoon, en ook maar
    niet waar die verblijf hield. Dat leek me, viel
    een beetje uit de toon. Nu kwam ze tevoorschijn
    met een kiekje van een een zeer grootogig kind:

    <morgen verder>
    juli 6, 2025


  • 5 juli

    De geschiedenis van in de trein

    Dit wordt de vervrolijkende geschiedenis,
    ook al zou je eerst denken van niet,
    over in de trein een ontmoeting
    waar ik heel niet om had gevraagd.

    Een vrouwtje dat zat me tegenover en
    begon te spreken, op zeer zachte toon,
    niet bepaald de klank van hemelse fluiten,
    dat kwam later, eerst sprak ze gewoon.
    Maar, zachtjes: haar woorden leken voetjes
    die, aarzelend, stap voor stap, een kastruimte
    willengaan verkennen, om te zien of er
    ook vluchtruimte in zat.
    Ze wou zich zeer zeker verbergen in een hol,
    maar er toch nog wel weer uit dan, en ze zei:
    ‘Weet u, ik ga naar me zoontje toe, hij
    verlangt zo erg naar mij.’
    (Dit is allemaal echt gebeurd hoor, ik
    schrijf zo maar geen onzin op), bij
    haar volgende dubbele phrasen ontving
    ik dubbele dreunen voor mijn kop.

    Fritzi Harmsen Van Beek
    <morgen verder>
    juli 5, 2025


  • 4 juli

    Soms zomeravonds, als ik 't oude huis
    Vol schem'ring, zonder menschen, binnenkom -
    Ik luister en ik weet niet recht, waarom -
    'K ga naar mijn kamer. - 'K hoor nog net een muis. -
    Uit groenig zwarte boomen waait geruisch
    Door 't open raam. - 'K beweeg mijn oogen: glom
    Daar iets? - Een plaat. - Wonderlijk stil rondom
    De meubels. - 'K hoor in de ooren 't bloedgesuis. -
    'T lijkt ver en vreemd. - Ik denk niet: ‘Is hier iets?’
    Ik weet wel beter: haast me opzett'lijk niets,
    Maak licht, ga zitten, neem een boek, en lees.
    En even kijk ik, even, weg van 't boek -
    Was dat de muis niet? - naar een donk're hoek. -
    Dat was de voortijd en zijn spokenvrees.

    J.A. Dèr Mouw
    UIt: Brahman. Deel 1. W. Versluys, Amsterdam 1919
    juli 4, 2025

  • 3 juli

    Als er geen licht meer door linnen dringt

    ‘Weet je hoe je kunt zien wanneer iets goed geschilderd is?’
    vroeg mijn oom in zijn hobbykamer, waar hij zijn Meer bij
    zonsondergang met de voorkant tegen de middagzon hield.
    ‘Als er geen licht meer door het linnen dringt.’ Ik draaide

    de ansicht om die als voorbeeld had gediend: Camping
    Seeperle, Bodensee, en wist opeens dat ik liefst elk gedicht
    met sinterklaasrijm wilde schrijven, inhoudelijk haast zonder
    gewicht, in de hoop – ‘We kwamen er vaak, je tante en ik’

    – dat er vanzelf iets in sloop en daar bleef waar geen vinger
    achter te krijgen is, zoals ofschoon je engel je niet mis
    te verstaan zijn Eden uit gewezen heeft, de herinnering

    aan zijn meisjesgelaat, dat een en al buiten was zo zonder
    noodzaak van een binnen, dat je aldoor hoopt het weer
    te zien wanneer ooit geen zicht meer door linnen dringt.

    Huub Beurskens

    Uit: 'Hotel Eden', Nieuw-Amsterdam, Amsterdam 2013.
    juli 3, 2025


  • 2 juli

    Nacht

    Wereld van aarde,
    alle lichten uit.

    Slapend lichaam van grond,
    geurige lieve mandarijn,

    hangend aan je gedroomde takje
    in de nachtgaard.

    Regen in juli,
    liefde in woorden.

    Je lichaam slaapt
    als de schim van jonge bomen.

    Remco Campert

    Uit: 'Alle bundels gedichten', Bezige Bij, Amsterdam 1976
    juli 2, 2025

  • 1 juli

    De zee, een pauw
    Een waaier van geduld waarin
    het waait,
    een witte pauw met ogen op
    de einder, trillende triomf
    tot in de palmen van haar schuim.
    Verliest haar oog aan kleur, betrekt
    de lucht, zij vlucht in wit, fel licht
    zij op waar zij in spindrift zich
    op golven neergeschreven heeft.
    Zij geeft het strand te drinken uit
    haar veren, wringt haar ogen om
    zwart steen omhoog, spoelt schoon en valt
    breeduit in slaap bij deining die
    zich naar haar deinen voegt zover
    het lopen strekt van kust tot kust.

    Chr. J. van Geel
    Uit: Enkele gedichten, Athenaeum-Polak & Van Gennep, Amsterdam 1973
    juli 1, 2025

Vorige pagina Volgende pagina

Designed with WordPress