19 augustus
De visser van Ma Yuan
onder wolken vogels varen
onder golven vliegen vissen
maar daartussen rust de visser
golven worden hoge wolken
wolken worden hoge golven
maar intussen rust de visser
Lucebert
Uit: Verzameld werk, Uitgeverij De Bezige Bij, Amsterdam 2018
-
-
18 augustus
Those were the days
Those were the days, my friend:
Wales in de zomerzon
was zoals steeds
onuitsprekelijk mooi.
Sprakeloos lag ik in
Landwfrycennincwr
met Gwynfanmywlclgriwyd
In het hooi.
Ivo de Wijs
Gevonden op: https://mainzerbeobachter.com/besprekingen/nederlandse-gedichten/
-
17 augustus
Oogstlied
Sikkels klinken,
sikkels blinken,
ruisend valt het graan.
Zie de bindster garen!
Zie, in lange scharen,
garf bij garven staan!
't Heter branden
op de landen
meldt de middagtijd;
't windje, moe van 't zweven,
heeft zich schuil begeven;
en nog zwoegt de vlijt!
Blijde maaiers,
nijvre zaaiers,
die uw loon ontving!
zit nu rustig neder
galm' het mastbos weder
als gij juichend zingt.
Slaat uw ogen
naar den hogen,
alles kwam van daar!
Zachte regen daalde,
vriendlijk zonlicht straalde
mild op halm en aar
A.C.W. Staring
Uit: Ruisend valt het graan. Querido, Amsterdam 1995
-
16 augustus
De pruimeboom
Eene vertelling
Jantje zag eens pruimen hangen,
o! als eieren zo groot.
't Scheen, dat Jantje wou gaan plukken,
schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
noch de tuinman, die het ziet:
Aan een boom, zo vol geladen,
mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
en niet plukken: ik loop heen.
Zou ik, om een hand vol pruimen,
ongehoorzaam wezen? Neen.
Voord ging Jantje: maar zijn vader,
die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het loopen tegen
voor aan op het middelpad.
Kom mijn Jantje, zei de vader,
kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
nu heeft vader Jantje lief.
Daar op ging Papa aan 't schudden,
Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
en liep heen op een galop.
Hieronymus van Alphen
In: Kleine gedigten voor kinderen
Athenaeum - Polak & Van Gennep, Amsterdam 1998
-
15 augustus
Oude matroos
Beklemd ging hij aan land, het was nog vroeg.
Grijs licht hing om de schepen en de kade.
Hij sloeg de oude kerk verwonderd gade,
en ging voor anker in een lage kroeg.
Des middags zwierf hij eenzaam door de stegen
kind'ren speelden met scheepjes in de goot
en vrouwen zongen. 't Was alsof een groot,
bevreemdend heimwee op zijn hart kwam wegen.
Herinneringen braken moeilijk baan.
Een klok sloeg. Bij een straathoek bleef hij staan
en telde hardop de voorbije jaren
tot een ver bootsignaal hem wakker riep.
Het was al donker toen hij met een zware,
langzame stap de loopplank overliep.
Han G. Hoekstra
In: Opwaartsche wegen. Jaargang 6. Uitgeversmaatschappij Holland, Amsterdam 1928-1929
-
14 augustus
Graaf een kuil
en plant je boom
voorzichtig
naast de mijne.
Kunnen ze elkaar
uit de wind houden
als het stormt
of in de zondagzon
samen zwijgen.
En als ze ’s avonds
door de wimpers
van hun twijgen
naar elkaar kijken
beginnen ze al
op een bos te lijken.
Jaap Robben
Uit: Zullen we een bos beginnen?
De Geus, Amsterdam 2019
-
13 augustus
Reispijn
Goed, je mag mee op reis, mee
exploreren. Klauteren over oude
omgevallen steden, en vanaf hoge,
hedendaagse zonsop- zonsonder-
waar zullen we eten.
Je mag in de koffer
tussen de vouwen van mijn rokken
in de holten van de kralen.
Maar wil je je, wil je je please alsjeblieft
wil je je netjes gedragen? Want weet je
we komen daar iemand tegen
iemand die jou nog niet kent.
Ik zal jullie daar
wel aan elkaar voorstellen, maar
kalm aan, niet woest, zoals vroeger.
Op een balkon misschien,
bedaard en bedachtzaam,
tegen de avond, met glazen
met ijsblokjes erin,
die tinkelen misschien
en hoor daarin dan niet meteen
het grote vriezen kraken.
Vroeg rustig slapen gaan en dromen
van weinig en dichtbij, wil dat beloven
niet schreeuwend wakker worden 's nachts
niet meer dat tomeloze.
Niet 's ochtends meteen de radio aan
hoogstens het plaatselijke zingen horen
waarvan wij de woorden niet verstaan.
Maar niet het nieuws dat de keel omklemt
niet wat jij 'de wereld' noemt, bijtend, borend.
Wandelen wij in het makkelijk dal
laat dan de beelden met rust,
laat het niet steeds opnieuw gebeuren
de modder, het schreeuwen,
daar zijn heuvels
die er niets aan kunnen doen.
Judith Herzberg
Uit: Botshol, Van Oorschot, Amsterdam 1980
-
12 augustus
De Bakker
Des morgens komt de bakker. Hij heet Gijs.
De naam van iemand uit een prentenboek.
Hij wordt al oud en zijn gehoor is zoek
Maar niets brengt hem in 't leven van de wijs.
De bakker houdt van ons. Wij houden van de bakker
Want och, hij is zoo'n goede, brave Gijs!
Wel dom, maar als hij glimlacht is hij wijs
En roept een diepe weemoed in mij wakker.
Hij heeft een zere voet. Die laat hij telkens zien
Die blote bakkerstenen! 't Is een blaar
Of een soort bult. Of 'n gezwel misschien?
Mijn vrouw bekijkt het. En ik houd van haar.
Het leven ligt in duizend kleine dingen
In de presentie van een brave Gijs
Met blaar en al. Hij is misschien niet wijs,
Maar zegt: "Meneer, de wereld is vol mooie dingen."
En God mag weten wat hij dan bedoelt
Die goede Gijs, met zijn bezeerde teen.
Maar ik moet knikken en ik denk alleen:
Gijs heeft gelijk. Ik heb het steeds gevoeld.
Simon Carmiggelt
Uit: Wat het harte boeit, W.P. Van Stockum en Zoon.'s-Gravenhage 1948
-
11 augustus
Raad eens wie we tegenkwamen
Er was toch al met tegenzin, dat bleef je zien, een bankje neergezet.
Hier dan, harde planken naast een boom,
als je zo nodig zitten moet.
Maar liefdeloos of niet; het bleef bezet. Een oude vrouw,
al in zichzelf gekrompen, half voorover, hoofd
onder de takken door en kin vooruit geschoven alsof alles haar
was overkomen, alles voor haar was gemaakt
zo was dat ook, zo keek ze je aan als je langskwam met je gewrichten
nog nauwelijks krakend, met blakend van gezondheid
je kinderen met liedjes zoekend naar eenden
en ze keek je aan dat je je schaamde dat je je niet vaker schaamde
dat je uit had geslapen, dat je net een nieuwe droger
was gaan kopen en vanavond pizza at
en dan lachte ze van denk jij maar niet dat jij
hier komt te zitten jongedame, had je wat
Ester Naomi Perquin
Gevonden op: https://www.dbnl.org/tekst/_nie003nieu11_01/_nie003nieu11_01_0003.php
-
10 augustus
Ze beginnen er niet mee wanneer het nog dag is.
Ze wachten tot de dag voorbij is, dan,
in het donker van de tuin, maken zij zich open,
één voor één, plop, plop, geven ze zachtgeel
hun antwoord, het licht terug aan de maan
die het ook maar heeft geleend.
Teunisbloemen verdragen zonlicht alleen
indirect ontvangen, nooit bloeien ze langer
dan een nacht, de dag erna ziet slechts
de gevolgen: verfrommelde fletse resten
waaruit je moeilijk opmaakt wat daar plaatsvond
als je het niet met eigen ogen zag.
Teunisbloemen zijn onkruid. Iemand zei
dat mijn hele tuin vol onkruid stond.
Al bloeien teunisbloemen niet langer dan een nacht
een teunisbloem die ooit een nacht open was,
kan nooit meer veranderen in een teunisbloem
die niet een nacht open is geweest.
Tjitske Jansen
In: Het Liegend Konijn.
Van Halewyck, Leuven & Meulenhoff, Amsterdam 2007